Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

DE EGYPTISCHE BOUWKUNST.

Fig. 23. Pyramide van Mykerinos of koning Men-kau-ra.

China, Mexico, Indië en andere rijken. De Egyptische pyramiden zijn als 't ware versteende grafheuvels of tumuli in eenvoudig geometrischen grondvorm.

Met de zijvlakken gericht naar de vier windstreken, laat de nauwkeurigheid van deze richting wel te wenschen over. De oudste dateeren uit het tijdperk van de 4C dynastie. Ze waren bestemd als grafmonument voor een enkele pharao; al waren het dus geen familiegraven, toch vond in enkele gevallen ook de mummie van de koningin er een plaats in.

De hellingshoek der zijvlakken met de basis varieert tusschen de 42° en 57°. Toch komen ook grootere hoeken voor, zooals b.v. aan de trappenpyramide te S a k k a r a. Ook de hoogte Fig. 22. 2.

is zeer uiteenloopend. De grootste pyramide, die van Cheops, meet 146.5 M., de kleinste, bij Unis, is slechts 22 M. hoog. Dit hoogteverschil wordt toegeschreven aan verschillende oorzaken. Sommigen, waaronder Lepsius, zeggen, dat de hoogte met den regeeringsduur samenhangt. Een pharao begon dan met den bouw van een kleine pyramide, waaromheen telkens tijdens zijn regeering een mantel werd aangebracht, zoodat de oorspronkelijke pyramide niet meer was dan de kern van de voltooide. Als bewijs hiervoor wordt aangehaald de knikpyramide van

Fig. 22. 3. Daschur; de hellingshoek van het bovengedeelte zou dan, daar voor dit bovendeel minder materiaal noodig was, wijzen op een versnelde voltooiing. Ook de trappyramide van Sakkara zou in onvoltooiden toestand zijn

Fig. 25. gebleven. Evenwel zijn deze afwijkende pyramidevormen

Fig. 24. Fragment van de bekleeding ! van de pyramide van Cheops. i

Sluiten