Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

DE EGYPTISCHE BOUWKUNST.

'5 grooter dan de zuildiameter. Het basement

: symboliseert een aardheuvel, waaruit de zuil-

• schacht, waarvan de vorm ook afgeleid is van 5 de plantenwereld, naar omhoog groeit.

: De zuilschacht rust direct op de voetplaat Fig. 44.

• en is aan de onderzijde vaak naar binnen ; afgerond, zoodat een insnoering ontstaat. De : voet van de schacht is dan verder nog om-

• geven door een kelk van naar boven spits

• toeloopende bladeren, waarvan de omtrekken : ingegrift zijn in de schacht, terwijl de bladeren

• zelf, evenals de geheele zuil, zijn gekleurd.

S , De oudste schachten zijn naar boven zwak

i verjongde bundelstammen; ze bestaan dan

• uit vier tot zestien stengels, waarvan het vrij Fig. 44. 6.

• omhoog gaan schijnbaar wordt belemmerd i door horizontale banden, die op verschillende

• hoogte zijn aangebracht. Ook komen deze

• banden wel voor alleen aan het bovendeel,

Fig. 40. Zuilengaanderij van den grooten tempel te Karnak. .

Fig. 44. 4. vlak onder het kapiteel, aldus een hals vormend.

De lotusstengels, waaruit de schacht bestaat, doen een naar buiten convexe canneleering ontstaan.

Later werd de schacht gedeeltelijk (over het middenste deel) glad cylindrisch, of wel glad cylindrisch over de geheele hoogte. Maar zelfs al is de

Fig. 44. 2. schacht glad, dan is toch nog vaak een halsband aangebracht. Gladde schachten zijn door in hori-

Fig. 44. 12. zontale rijen gerangschikte hieroglyphen of figurale voorstellingen als 't ware in horizontale banden verdeeld, wat niet direct bevorderlijk is aan den indruk van naar boven strevende kracht. Gedeeltelijk gladde zuilen treft men aan in den tempel van Kurna, geheel gladde zuilen in den Chonstempel te Karnak en in dien te Medinet-Aboe.

De hoogte van de gewoonlijk korte zware zuilen.

Fig. 41. Tempel te Luxor.

Sluiten