Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEST-AZIË. VII. DE BOUWKUNST IN KLEIN-AZIË.

OK DE KUSTEN VAN DU MlUlJriLLAJNUb^rlri Z,tiri rJUUriJN AAlN de volkeren, Semieten en Ariërs, die zich hier al zeer vroeg vestigden, de voordeden aan van een vruchtbaar klimaat. De bewoners van dit deel van Azië vormen de schakel tusschen het Oude Oosten en het Oude Europa en, omringd

door machtige naburen was hun kuituur afhankelijk van die der aangrenzende gebieden. In Noordelijk Syrië, tusschen den oorsprong van de Euphraat en de Middellandsche Zeekust vestigden reeds 1500 v. Chr.:

1. DE HETHITEN, wier kunst en taal op geheel West-Azië invloed hebben uitgeoefend, een 800-jarig rijk. Van hun paleizen en vestingen zijn slechts ruïnen, bestaand uit cyclopenmuren (opgetrokken van geweldig groote rotsblokken), bewaard gebleven. De muren waren door poorten, liggend tusschen twee zware torens, onderbroken. De eigenaardige baardlooze mannenfiguren met hooge spitse hoeden en lange spitse schoenen, die op de reusachtige groote reliëfs op de rotsen werden afgebeeld, zijn kenmerkend voor dit volk. Later werkten vooral Assyrische en Egyptische kunstvormen in. Op een reliëf is aangetroffen het oudste voorbeeld van voluutvormig kapiteel: een heiligdom met twee Jonische zuilen.

2. DE PHOENICIËRS bewoonden den smallen kuststreek tusschen den Libanon en de Middellandsche Zee. Het waren Semietische zeevaarders en kooplieden, die er zich 2000 v. Chr. vestigden en steden stichtten als Tyrus, Sidon, Marathus (Amrith). Als zeevaarders stichtten ze handelskoloniën in Spanje, Sicilië, Noord-Afrika (Karthago) en drongen zelfs over Mesopotamië door naar Indië, en misschien ook Westwaarts tot aan de Engelsche kust, waar zij de bewoners in aanraking brachten met Oud-Oostersche kunst. Hun rijk eindigt als in 333 v. Chr. Alexander de Groote Tyrus verwoest.

Wat de bouwkunst betreft, ze bouwden geen tempels, maar wel graven, die den vorm hadden van tumuli, vrijstaande monumenten of rotsgraven. Het graf zelf werd onder de Fig. 79. c. aarde aangebracht of in een smalle nis in den onderbouw. Hun burchten hadden zeer zware muren, tot 10.10 M. toe. Te Karthago bevatten de muren zelfs nog een 2 M. breeden gang met zijvertrekken. Op het eiland Arvad(Arrados), tegenover de kust van Syrië zijn nog Fig. 79. o. sporen aanwezig van een reusachtigen dijkenaanleg. De beeldhouwkunst der Phoeniciërs, een vermenging van Egyptische en Assyrische motieven, behoeft hier niet nader besproken.

De voornaamste rüïnen treft men aan te Amrith. Een grafteeken is hier bewaard gebleven, bestaande uit Fig. 79. a 3 cylinders, naar boven telkens kleiner van middellijn, rustend op een onderbouw en afgedekt door een halven bol en als koepeldak. Tegen den ondersten cylinder zitten 4 fragmentarische leeuwen; de eenige versiering van de cylinders bestaat uit een trapvormige kanteellijst en een tandlijst. Het grafvertrek ligt onder het aardoppervlak.

Rotsgraven, zooals die worden gevonden te Maschnaka en te Dschebeil (Byblos), vertoonen gevels

Sluiten