Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZUID- EN OOST-AZIË. DE INDISCHE BOUWKUNST.

95

^ig.102.

9. 103.

Op reliëfs worden figuren met evenveel vrijheid en face als en profil gehakt, terwijl bij de vrije beeldhouwkunst Boeddhabeelden van groote strengheid voorkomen, naast vrouwenfiguren met de meest moeilijke lichaamswendingen. Wat in verband kan worden gebracht met de groote lenigheid van de Indiërs.

Bij volkomen afwezigheid van alles wat lijkt op spieren of skelet en bij gebrek aan naturalisme, valt bijzonder op de groote voorliefde voor rijke kleeding en sieraden, terwijl het naakt in ronde weeke vormen veel minder

bestudeerd lijkt.

Het ornament is ontleend aan de overrijke Indische flora en fauna, terwijl Perzische, Chineesche, maar ook Grieksche en Romeinsche invloeden zich doen gelden, zonder evenwel ook maar in het minst het specifiek Indisch karakter aan te tasten. Vooral de lotus en ook tijger, olifant, leeuw, pauw, papegaai worden ornamentaal verwerkt, zoowel als de mensenfiguur en fantastische combinaties van mensch en dier. Veel Brahmaansche hemelingen zijn in het Boeddhistische ornament opgenomen, met vele hoofden en armen; jacht- en strijd tafereelen, olifantenoptochten, alles symboliek,»

worden veelvuldig toegepast, terwijl in tegenstelling hiermede tafereelen uit het dagelijksch leven zelden voorkomen.

Van muurschilderingen zijn zelfs fragmenten aangetroffen in rotstempels: de kleuren zijn hierin voornamelijk rood, blauw, wit en bruin.

Sluiten