Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

DE BOUWKUNST IN CHINA.

• zich als halfzuilen of oilasters voordoen. Ook Fig- 106.

wel staan de pijlers een eind voor den gevel,

en dan wordt een waranda gevormd, of wel Fig. 107. 2.

staan de pijlers achter den muur, en zijn dan

van buiten af onzichtbaar. De muren zijn van

hout en baksteen, en dikwijls gepleisterd.

Het dak (Ting) zelf is naar boven hol gebogen; soms zijn twee of drie daken boven elkaar aangebracht, en in dit geval is het onderste dak het grootst. Steeds steken de daken ver buiten Fig. 106. de gevels uit, zelfs bij de eerepoorten. Onder het overstekende deel van het dak is een eigenaardig console fries (masugumi) aangebracht. Op de nok en op de hoekribben, die sterk naar boven hol zijn gekromd, is allerlei fantastisch snijwerk, vooral in draakvorm, aangebracht.

Inwendig blijven nu eens de dakpannen zichtbaar, dan weer worden ze door een cassetten-

I zoldering aan het oog onttrokken; de cassetten Fig. 105. Pa4ü te Peking. (Naar foto). j ^ door fraai besneden li]Sten onderling ge-

:.......................................«••• ï scheiden, op de kruispunten waarvan ornamenten zijn aangebracht, die aan metaalbeslag doen herinneren. In het midden bevindt zich een groot vierkant of veelhoekig naar boven verdiept middenveld.

Inwendig van de gebouwen zijn ronde zuilen of vierkante pijlers met afgeronde hoeken aangebracht. De zuilen rusten op een platte, omgekeerd bordvormige schijf of voetplaat, doch ze hebben geen kapiteel, daar ze de zolderbalken niet dragen, maar deze in de zuilen zijn ingelaten. Wel zijn ter ondersteuning van de balken soms consolevormige, naar boven veerkrachtig gebogen houten armen aangebracht, die eveneens rijk versierd zijn door houtsnijwerk.

4. Tot de bijzonder karakteristiek Chineesche bouwwerken zijn de Boeddhistische, na de

2e eeuw n. Chr. opgerichte pagodentorens te rekenen, die Tha of Taï genoemd worden. In Fig. 107.1,2 de 9e eeuw na Chr. zijn deze allen op keizers bevel verwoest geworden, daar het Boeddhisme moest worden uitgeroeid; maar na de 12e n. Chr. zijn er opnieuw Boeddhistische tempels gebouwd in China, waar het Boeddhisme nooit geheel door de heerschende dynastieën kon worden verdrongen.

De Chineesche pagoden bestaan uit een aantal gelijkvormige, naar boven kleiner wordende verdiepingen, ieder met een eigen polygonaal gebogen dak. De onderbouw is van steen, en

Sluiten