Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEST-AZIË EN EUROPA. DE VOOR-GRIEKSCHE OF MYKEENSCHE BOUWKUNST. 117

door middel van overkraging, een groote ontlastingsdriehoek uittgespaard, welke driehoek is opgevuld met een in reliëf bewerkte vuisteen. Het reliëf stelt, aan de voorzijde, voor een zuil, aan weerszijden waarvan in opgerichten stand een leeuw staat, goed gestyleerd in verband met den driehoekigen vorm van de te vullen ruimte. Dit leeuwenrelief wordt beschouwd als het oudste in Griekenland gevonden en bestaat uit zeer harde, grauwe kalksteen van fijne structuur. Het geheele basreliëf is 3.20 M. breed en 2.90 M. hoog en 1.70 M, dik.

De onderzijde van den bovendorpel bevat nog de 8 c.M. diepe gaten, waarin de pennen der vleugels van de poortdeuren, die afgesloten werden .door dwarsbalken, konden draaien.

De twee verticale poorten hellen naar boven-binnen, en verminderen hierdoor den vrijdragenden afstand van den bovendorpel.

De halfronde zuil van het reliëf is naar beneden verjongd. Het kapiteel bestaat uit 3 ringen, waarop de abacus, die versierd is met 4 cirkelronde schijven, waarboven weer een abacusvormige plaat ligt.

Het plintvormig verlengde basement rust op een onderbouw, bestaand uit 2 balken, waartusschen een hollijstprofiel. Wat de vier schijfvormige cirkels betreft, stellen deze vermoedelijk voor de 4 uiteinden van palen, die op het altaar, gevormd door abacus en zuil, ter eere van (Perzischen) god Mithra zouden worden verbrand. Dan stelt de tweede abacusplaat er boven eigenlijk het zij-aanzicht voor van de tweede rij van dwarsliggende palen. De top van den driehoek kan dan zijn ingenomen geworden door de afbeelding van vlammen. Met zekerheid is dit echter niet uit te maken. Van de leeuwen met hun heraldisch karakter ontbreken de koppen; waarschijnlijk zagen ze oorspronkelijk den toeschouwer aan.

5. Het Mykeensche ornament vertoont onmiskenbaar Aziatischen invloed, terwijl, ook wat betreft de beeld- Fig. 123. houwkunst en de architectuur, als het ware de stijl van het metaal overheerscht. De z.g. schatkamer van '*"" Atreus was de vindplaats van talrijke voorwerpen van koper, brons, ivoor en glas, doch vooral ook goud, welk laatste metaal werd gedreven, of ook wel met gouddraad gesoldeerd. In de orneering Öomineeren spiraal, meander, cirkel, rozet, rijen punten, bolvormige bobbels, alles rijker dan de reeds vroeger besproken prae-historische ornamenten. Waren aldus diademen, armbanden, knoopen etc. geometrisch versierd, zeldzamer komen ook goudplaatjes voor met afbeeldingen van bloemen, bladen, vlinders, polypen en gelaatsmaskers. Zwaarden en dolken werden verfraaid met strijd- en jachttafereelen. Twee gouden bekers, gevonden te Vaphio, zijn bijzonder fraai gedreven, met een voorstelling van een stierenjacht. Op Assyrischen invloed wijst de verdeeling van middenstuk en rand, beide gevuld met rijke rozetten, en ook leeuwenjachten. Van Egyptischen oorsprong zijn palm, lotusbloem en in elkaar grijpende spiralen, zooals een zolderfragment uit Orchomenos aantoont. Vervaardigd in vreemde werkplaatsen, of in eigen werkplaatsen, naar Oostersche voorbeelden, zijn die voorwerpen, waarop griffioen en sphinx voorkomen.

Uit Tiryns afkomstig is nog het fraai albast reliëf, ingevuld met blauw glasemail. Fig. 119. 7.

Een zeer bijzondere plaats neemt ook nog het Oud-Mykeensche vaatwerk in. De oudste Mykeensche vazen zijn dofrood en bruin van kleur, soms met plaatselijk een weinig wit, De versieringsmotieven bestaan uit spiraal, stervorm, visschen, zeesterren, kwallen, polyp, koraal, schelp, golflijn, waterplant, klimop en lelie. Steeds zijn geometrische motieven tegelijkertijd toegepast met vrije plant- en diervormen.

De Laat-Mykeensche vazen, die zeer fraai werden na de Dorische volksverhuizing, zijn overdekt met een glanzende verniskleur; dan worden ook viervoetige dieren, als hert, kat, steenbok, paard en hond, vogels, zwaan, adelaar, en mensenfiguren geschilderd, doch nooit vertoonen de vazen uit den ontwikkelden Mykeenschen tijd leeuw, griffioen, sphinx of lotus. Wel komt voor "t eerst in Griekenland de tot dusver nooit in het Oosten gebruikte rankvorm van planten in natuurlijke groeiwijze voor.

Een andere voor 't eerst voorkomende techniek is het frescoschilderen, waarbij roode, gele, blauwe en witte verven direct op de natte kalk worden aangebracht.

Sluiten