Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOUWKUNST DER GRIEKEN. 129

Fig. 131. Doorsnede van den Zeustempel te Olympia. (Naar Luckenbach).

zuilafstand (wat afhangt van de plaatsing der triglyphen, zie hieronder) tusschen de beide buitenste zuilen kleiner zijn, en zelfs kan het intercolumnium toenemen naar het midden toe, zoodat de grootste zuilafstand voor den ingang wordt verkregen. Te Paestum bedraagt de afstand 2 tot 2'/6, te Korinthe 2'/4, te Nemea en bij het Parthenon 2'/3, te Phigalia en aan den Theseustempel 2'/2 onderste zuildoorsneden.

De canneluren zijn niet altijd voltooid. Bij den tempel te Segesta zijn ze alleen aan het kapiteel en aan den ondersten trommel in aanleg te zien. Eveneens te Rhamnus. De doorsnede der canneluren is elliptisch of ook wel cirkelsegmentvormig en zóó, dat ze elkaar scherpkantig raken. De Artemis- en de Zeustempel op het eiland Ortygia, en de middenste tempel te Selinus hebben 16 canneluren, de meeste andere Dorische tempels hebben er 20, en bij uitzondering heeft de Poseidontempel te Paestum 24 canneluren.

3. Het kapiteel heek een naar buiten gebogen proflei, een z.g. echinuskyma; nooit met reliëf Fig. 130. versierd worden er bladeren opgeschilderd. Wel zijn om den voet der bladeren eenige banden in reliëf aangebracht, die ze als 't ware symbolisch aan het echinusproflel vastbinden. In den Vroegtijd, o. a. bij de tempels op Sicilië, -is om den voet van de echinus een diep insnijdende bladerenkrans aangebracht, die schijnbaar den voorsprong van het kapiteel buiten Fig. 129. 2. de schacht nog vergrooten. Deze bladerenkrans wordt later vervangen door een weinig naar buiten uitbuigend proflei, de z.g. aanloop.

Het echinusproflel is sterk naar buiten uitgebogen bij de oudste tempels. Zoo is dat van de tempels op Sicilië

Sluiten