Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

DE BOUWKUNST DER GRIEKEN.

Fig.

134. Hoofdgestel van het Heroon van Empedokles te

Selinus. (Naar Bühlmann).

rusten de uiteinden niet op de architraaf, maar op het fries. De boven de zuilen staande triglyphen brengen den druk van het fries op de zuilen over; de zware architraaf echter is in staat ook in 't midden tusschen twee zuilen den druk van een triglyph met den daarop rustenden last te dragen. Op de triglyphen rust een lage, smalle abacus.

De metopen zijn platen in den regel versierd met reliëfs (Parthenon) en een enkele maal ook onversierd (Paestum). Liggen de voorzijde van de architraaf en de voorzijde van de triglyphen in één plat vlak, de metopen springen terug. Ze zijn in den regel even breed als de triglyphen, dus ongeveer V2 onderste zuildoorsnede.

Een zeer moeilijk vraagstuk in de Dorische orde was de plaatsing van de triglyphen; drie mogelijkheden doen zich hierbij voor, n.1.:

a. Metopen en triglyphen zijn even breed, en op de hoeken van het fries is een triglyph geplaatst; in dit geval is de zuilafstand niet overal gelijk.

b. Is de zuilafstand wel overal gelijk, en toch een hoektriglyph aangebracht, dan moeten de buitenste metopen grooter zijn dan de andere.

c. Metopen en triglyphen zijn even breed, en de zuilafstand is overal even groot; op de hoeken komt dan eennalve metope. Dit geval is door de Grieken nooit in toepassing gebracht, wel later door de Romeinen en in de Renaissance. 7. De kroonlijst bestaat uit balken, waarvan de voegen boven triglyphen vallen. Buiten den gevel uitstekend, beschut zij tegen den regen en draagt boven de zijgevels de sima of gootlijst, en boven voor- en achtergevel de gevellijst. De kroonlijst bestaat uit een vertikaal voorvlak, naar boven door een Dorische kyma afgesloten.

Het vrij overstekende deel is sterk naar binnen-boven afgeschuind, ter vermindering van het gewicht (dus_om kantelen te voorkomen) en voor afleiding van eventueel overloopend regenwater van den gevel. Tegen het schuine ondervlak zijn banden blijven staan ter breedte van de triglypen en de metopen, welke banden mutulen genoemd worden, en aan ieder waarvan 3 rijen van 6, dus 18 droppels hangen. Deze druppels zijn niet constructief, maar decoratief, en misschien symboliek, aanduidend dat de kroonlijst de draagster is van de watergoot. De

vorm van de droppels is lang afgeknot kegelvormig, bij latere monumenten kort cylindrisch. De mutulen en Fig. 129. 4.

guttae ontbreken aan de schuine gevellijst, maar hier is het schuin oploopend ondervlak ter afvoering van het water, naar binnen-boven gebogen.

Sluiten