Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

DE BOUWKUNST DER ETRUSKERS.

6. Stedenbouw en woonhuis. Reeds de oude paalwoningdorpen in de Povlakte waren door een netwerk van straten doorsneden, die in de richting van de vier windstreken liepen. Op het grondplan van deze woningen is het latere Romeinsche woonhuis geïnspireerd. De haard, focus, staat in het midden van een vierkant vertrek, het atrium. Aan weerszijden van het atrium strekken zich twee vleugels, alae, uit, terwijl verder rondom het atrium verschillende kleine vertrekken zijn gerangschikt, en de woonvertrekken er achter liggen. Oorspronkelijk kreeg het atrium weinig licht; later wordt in het midden van het hooge, zich over alles uitstrekkende dak, een rechthoekige opening gemaakt, het compluvium. Het dakvlak helt dan naar binnen, zoodat de opening juist komt boven een vergaarbak in het midden van het atrium, waarin zich het hemelwater verzamelt. Deze vergaarbak heet impluvium.

Het latere Romeinsche atrium kreeg zuilen, het Etruskische was zonder zuilen. De haard werd spoedig uit het atrium verplaatst naar een afzonderlijk vertrek, de keuken; en het vertrek achter het atrium, het belangrijkste, liggend in de hoofdas van het gebouw, heet tablinum. Zóó bleef de Italiaansche woning onveranderd tot aan de 2e eeuw v. Chr.

7. De kunstnijverheid stond op hoogen trap van ontwikkeling. Wel is uit latere onderzoekingen aangetoond, dat de Etruskers Assyrische, Egyptische en Grieksche sieraden nabootsten, en ze als handelsartikelen tot ver in 't Noorden verkochten, maar toch getuigen deze voorwerpen van groote kunstvaardigheid. Potten en vazen van klei, bronsgietwerk en drijfwerk, sarcophagen met flguraal deksel, en wapenen zijn in alle musea verspreid. Vele kunstnijverheidsvoorwerpen werden uit de rotsgraven opgezameld.

Sluiten