Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

DE BOUWKUNST DER ROMEINEN.

Het koepelgewelf overdekt een cylinder, en is halfbolvormig. Het cylindergedeelte, waarop de halve bol Fig. 191. 5. rust, wordt tamboer of trommel genoemd. Nisvormige ruimten, dus vertikale halve cylinders werden overdekt door een kwart bol, b.v. boven de exedra's (de nissen in de basilieken), in thermen en boven muurnissen. De kwartbol werd dan schelpvormig met ribben versierd.

Indien veelhoekige ruimten worden overwelfd, geschiedde dit door een kloostergewelf of helmkoepel, in welk geval het gewelf eveneens aan den top polygonaal bleef. Werd echter ook over een veelhoekige ruimte een halve bol geplaatst, dan rustte deze bol op de middens der zijden van den veelhoek, en werden in de hoeken overgangen gezocht, die door overkraging ontstaan. Als voorbeeld kan dienen de tienhoekige tempel van Minerva Medica. In het Byzantijnsche rijk later kwam de koepel op

pendentiefs, de z.g. hangkoepel, tot grootsche ontwikkeling.

Aan den binnenkant werden de gewelven versierd met cassetten, waarin Fig. 204 fraaie rozetten. Voor buitenste over¬

dekking diende een lessenaarsdak of ook zadeldak. Was de hélling naar 4 zijden gericht, dan werd het dak een tentdak genoemd. De afdekking geschiedde door tegels in verschillende vormen, doch ook, maar bij uitzondering, door marmeren platen of platen van brons. Waar groote en sterke constructies noodig waren, werden soms de dakspanten van metaal vervaardigd ; zoo waren de spanten over de voorhal van het Pantheon van brons. DE ROMEINSCHE ZUILENORDEN. 1. De zuilen met hun hoofdgestel hadden bij horizontale overdekking een constructieve beteekenis. Bij den gewelfbouw, waar de zuilen niet meer dragen, is hun toepassing een zuiver

3g 1

Fig. 191.

1, 2 en 3.

Fig. 211.

Korinthische zuil van den Concordiatempel

te Rome. (Naar Daumet).

Sluiten