Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOUWKUNST DER ROMEINEN.

213

basement rust een Korinthische schacht met 24 canneluren. Het tweedeel ige kapiteel bestaat voor] de onderste helft uit een dubbelen akanthuskelk waarboven een rijk Ionisch diagonaal kapiteel, waardoor de totaalhoogte van het kapiteel aanzienlijk grooter wordt dan bij de Korinthische orde. Het eerst komt het composietFig. 203. kapiteel voor aan den Titusboog (tusschen 81 en 96 n. Chr.) te Rome; bij dit kapiteel ontspringen de voluten nog als 't ware uit den kelk Aan den boog van ïir#ï Septimus Severus zijn de voluten echter horizontaal verbonden. Ook zijn uit den Laattijd afkomstig de z.g. fantasiekapiteelen, waarvan het onderste deel toch nog een akanthuskelkvorm blijft behouden, maar waaraan tot verrijking vrije

Fig. 218. Amphitheater te Pola. (Naar Gailhabaud).

plant-en diervormen, tropeeën en mensenfiguren worden aangebracht; overigens ondergaat het akanthusblad de karakteristieke wijzigingen van den Laat-Romeinschen tijd. Vooral aan pilasters en pijlers vindt dit kapiteel zijn toepassing.

De geheele composietorde wordt door reliefornament als het ware overwoekerd, waardoor wel wordt gewonnen aan rijkdom, maar verloren aan rust. Het constructieve beginsel wordt zelfs zoover uit het oog verloren, dat niet zelden architraaf en fries tot één plat vlak worden saamgetrokken ter verkrijging van ruimte voor opschriften. Als de pilasterschacht niet wordt gecanneleerd, wordt ze paneelvormig ingediept, omlijst en met vertikaal groeiende ranken, plantornamenten en tropeeën versierd. Heeft als dragend element de caryatide dezelfde functie en vorm als in de Grieksche kunst, er bestaan ook mensenfiguren, zuiver decoratief en niet dragend geplaatst voor de pijlerschachten.

Dat het geheele hoofdgestel decoratief wordt kan blijken uit den segmentvorm van het fries, en uit de cornissing als vóór den muur ter geleding zuilen en pilasters of halfzuilen worden geplaatst; dan springt het hoofdgestel boven Fig. 213. de muren plaatselijk, en niet over de geheele lengte voor, en wordt de gevel in vertikale traveeën verdeeld. Waar dus in de Grieksche kunst nadruk werd gelegd op het verschil in functie tusschen dragende en gedragen bouwdeelen, wordt bij de Romeinen de vertikale richting van de zuilen nog door het hoofdgestel versterkt; vooral ook waar zelfs de attica mede plaatselijk voorspringt. De attica, een speciaal Romeinsche vinding, is een boven Fig. 203. de kroonlijst geplaatste borstwering ter hoogte ongeveer van '/s zuil. Ze was noodzakelijk voor het verkrijgen van goede verhoudingen. Denk b.v. den triumf boog van Titus zonder attica.

Sluiten