Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

244

DE BOUWKUNST DER ROMEINEN.

in onderaardsche vertrekken: grotten. De Renaissance meester Rafaël Santi was toch door de schoonheid van dit motief zoo getroffen, dat hij het in de decoratie invoerde, waarin het zich tot in de 19e eeuw handhaafde.

Het Romeinsche akanthusblad vertoont duidelijk twee typen, ontstaan door een streven naar grootér beweging in de ranken en naar een rijker contour door hooger reliëf, waarbij de vlakke of gebogen fond als zoodanig nauwelijks nog is te onderscheiden.

Spreekt de Grieksche akanthusrank voornamelijk door den stengel, de Romeinen wenschen nadrukkelijk de aandacht gevestigd te zien op de bladlobben, tengevolge Fig. 246. waarvan de bladstengels en ranken minder sprekend geribd en minder duidelijk van teekening worden, totdat de akanthus volledig zijn karakter verliest in de vleezige Fig. 244. bladerenmassa's en krullen. Zelfs wordt geen

rekening meer gehouden met de natuurlijke groeiwijze, zoodat de bladeren b.v. beurtelings naar boven en naar onderen-groeien.

a. De eene hoofdvorm van akanthusblad lijkt op den Griekschen, doch heeft langere, ovaal gepunte bladlobben, waarbij de punten niet meer bestaan uit twee elkaar scherpkantig snijdende vlakken, doch uitgehold zijn. Niet alleen de bladpunt is uitgehold, maar de geheele bladlob ook tot aan den voet; de lobben onderling zijn door hooge bladplooien gescheiden. Daar de bladpunten langer zijn dan bij het Grieksche akanthusblad, bedekken de lobben elkaar gedeeltelijk. Deze bladvorm is de geldende van af Augustus tot aan het einde van de 2e eeuw, en wordt bij voorkeur toegepast aan zuilkapiteelen. Echter komt deze vorm nooit voor aan Grieksche gebouwen of aan Romeinsche gebouwen op Griekschen bodem.

b. De andere vorm heeft grootere lobben, waardoor de binnenste bladpunten van de lager liggende bladlob de buitenste bladpunten van een hooger liggend blad kruisen. De bladpunten zelf zijn ook nog weer onderverdeeld, zoodat ze als het ware getand zijn. De vleezige bladlobben worden gescheiden door ribben, die niet regelmatig en symmetrisch zijn geplaatst, maar meer naturalistisch. De diepere insnijdingen eindigen in ronde boorgaten/waarom dikwijls een rozetvormig gekarteld bladrandje blijft staan. Dit blad is van af den keizertijd toegepast geworden, en ook aan zuilkapiteelen uit de 2e eeuw.

De akanthusbladeren aan de zuilen van de voorhal van het Pantheon zijn palmetvormig om den kelk gerangschikt, en vertoonen lepelvormig uitgeholde bladpunten.

Karakteristiek is ook de ronde rankvorming, in weelderig naturalistische wijze, maaf slap zich over het vlak voortbewegend, gecombineerd met verschillend gevormde rozetten.

De lijsten worden in het algemeen overgenomen van de Grieken, maar zeer gewijzigd: wel sterk geprofileerd, en bedekt met overrijk ornament, worden de profielen echter slap en onveerkrachtig. Zoo Staat het dubbel

Fig. 217,

boven.

Fig. 217.

onder.

Fig. 246.

Sluiten