Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XV. DE OUD-CHRISTELIJKE BOUWKUNST.

E CHRISTELIJKE KUNsl UNlbl AAl jUlöl un uü.l\ urn ui^ ^1»^^^. .t.

kunst, tijdens de heerschappij van de Romeinsche keizers, haar hoogtepunt heeft bereikt. En daar de Christelijke leer de zuiverste tegenstelling vormt met het materialistisch geloof van de Romeinen, ondervond ze juist van de Romeinsche heerschers en voorname Romeinen ernstigen tegenstand ofschoon de Christelijke gemeente'te Rome onder hare leden, aanvankelijk bestaand uit het mindere

volk, al spoedig enkele aanzienlijke families mocht tellen.

De eerste Christengemeenten ontstaan in Syrië en Palestina, met Antiochië, dat later de 2= hoofdstad zal worden van het Oost-Romeinsche rijk, als centrum; van hier uit verbreidt zich de leer naar Rome, waar in de eerste eeuw van onze jaartelling vele Joden woonden, en over Egypte (Koptische kunst) langs de kust van Noord-Afrika. Vooral in Rome breidt zich de Christelijke leer snel uit, en bestond ± 64 na Chr. reeds een bloeiende gemeente, die, steunend op het geloof, gedurende de eerste 3 eeuwen aan de hevigste vervolgingen wist weerstand te bieden en zich uit te breiden, totdat in 312 Constantijn de Groote den Christelijken godsdienst als staatsgodsdienst erkent. Dan verovert de Christelijke leer de wereld van uit Rome, een nieuw tijdperk voor Europa inluidend.

De klassieke kunst eindigt, maar slechts langzaam weet de Christelijke kunst zich van de klassieke tradities vrij te maken. Al werd in 392 door keizer Theodosius het offeren verboden, en twee jaar later een einde gemaakt aan de Olympische spelen, eerst in 529 werd te Athene de laatste filosophenschool gesloten en nog lang daarna bleef onder het volk het geloof aan de oude goden bewaard.

De bouwkunst werd niet meer beoefend om haar zelfs wil, maar de hoogere geestelijke idee deed haar inVloed gelden, afdoende echter in een veel latere periode. Want aanvankelijk moest de nieuwe leer gebruik maken van oude vormen, hoewel aan die oude vormen een andere beteekenis werd gehecht. Juist omdat de eerste Christenen geheel neutraal stonden tegenover de Romeinsche architectuur, werd alles wat bruikbaar was, overgenomen of toegepast. Ten minste wat Rome betreft. Wel werden vele tempels afgebroken, maar zuilen, kapiteelen, architraven werden ongewijzigd ondergebracht in nieuw te bouwen Christelijke bedehuizen. Waren echter tempels zeer fraai, of basilieken zeer bruikbaar, dan werden deze heidensche monumenten ongewijzigd in gebruik genomen.

Zoo, hehalve het meest bekende monument, het P a n t h e o n, werden o. a. de volgende Grieksche en Romeinsche tempels veranderd in Christelijke bouwwerken: de tempel van Antonius en Faustina, de Vestatempel, de tempel van Romulus en Remus te Rome; het Parthenon, Erechtheion, het Theseion en de Ilissostempel te Athene, de Bacchostempel te Laodicea, de Venustempel te Aphrodisias, de Roma- en de Augustustempel te Ancyra en de Aesculaaptempel te Spalato.

Waar geen klassieke fragmenten genoeg voorhanden waren, werden zeer vrij opgevatte onderdeelen toegevoegd ; ook in verschillende provincies en landen droegen deze nieuw vervaardigde elementen een zeer verschillend karakter. Hierdoor en ook door den tijd van ontstaan is geen nauwkeurige grens te trekken tusschen einde klassieke en begin Oud-Christelijke bouwkunst. Bovendien werd veel zoodanig in den loop der tijden gewijzigd, en is zooveel verwoest, dat alleen kleine, in afgelegen plaatsen gebouwde monumenten in oorspronkelijken, zij het ook vervallen toestand zijn bewaard gebleven.

De Oud-Christelijke kunst maakt in Rome en Italië nog eeuwen gebruik van Romeinsche bouwvormen; gedurende de invallen der Germanen en nog later tot aan de Karolingische vorsten in de 8e eeuw, handhaafden zich de klassieke vormen in hoofdzaak. In Byzantium deden

Sluiten