Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OUD-CHRISTELIJKE BOUWKUNST.

255

ruimte de horizontaal overdekte basilica overbleef, die echter zeer spoedig zoo ingrijpend werd veranderd, dat ze met de oude Romeinsche basiliek niet veel meer dan den naam gemeen had. De Oud-Christenen bouwden twee hoofdtypen van kerken, n.1. te Rome en in plaatsen onder invloed van Rome in basiliekvorm, en te Byzantium, en in plaatsen onder

invloed van nyzantium m

centraalbouwvorm; het eerste ; Fig. 258. S.Apollinare in Classe, bij Ravenna. 534—549. Toren 7= eeuw. :

type horizontaal, het tweede : •

gewelfvormig afgedekt. Overigens komen beide vormen naast elkaar in de verschillende

landen voor.

Tot voorbeeld voor de basiliek heeft te Rome gediend de basiliek van de fora, die van de paleizen, en misschien ook het huis; de naam wordt in de eerste eeuwen ook vervangen door ecclesia, dominicum of conventiculum. Zoolang de eerste Christengemeenten nog zeer klein waren, en een nieuw bedehuis werd gebouwd, was dit in den regel 1-beukig, met een aansluitend presbyterium voor de leiders van de vergadering; deze eerste kleine kerken werden eukterium of Oratorium genoemd. Later komt in den basiliekbouw, die eerst in de 4e eeuw een belangrijke verandering onderging toen de architraaf, die over de zuilen lag, werd vervangen door rondbogen, die direct op de kapiteelen rustten, constructief zoowel aesthetisch een belangrijke vooruitgang. Bij de Oud-Christelijke basiliek werd aan het inwendige meer aandacht besteed dan aan het uitwendige, waarin de gemeente samenkwam, en waarin het altaar voor allen moest zichtbaar zijn, en de preek.hoorbaar. 2. Het grondplan ontwikkelde zich in de richting van de lange as. Van de straat af trad men Fig. 254. 5. door een v:stibulum (prothyron) in het door muren en zuilenhallen omgeven atrium, dat rechthoekig van vorm was, en in 't midden waarvan de reinigingsbron (k a n t h a r u s, labrum) was geplaatst, als zinnebeeld van de reiniging. Het atrium was verder ingericht als een tuin (paradisus), waarin de boetelingen vertoefden en de doop plaats vond. Op het Fig.256. 2. atrium volgde de voorhal, vanwaaruit 3 of 5 deuren toegang gaven tot het door zuilenrijen in 3 of 5 beuken verdeelde schip, waarvan de middenste beuk het breedst en het hoogst is en hoofdbeuk genoemd wordt, terwijl de buitenste zijbeuken het laagst zijn. In den Noordelijken zijbeuk vonden de vrouwen, in den Zuidelijken de mannen een plaats. Door

Sluiten