Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

256

DE OUD-CHRISTELIJKE BOUWKUNST.

den aan het einde van den hoofdbeuk op zware pijlers of zuilen rustenden triomfboog kon de gemeente het koor zien, het verblijf voor de priesters (sanktuarium, presbyterium), oorspronkelijk de apsis, waarin de priesters langs den halven cirkel zaten, in het midden een plaats vrijlatend voor den bisschopszetel (kathedra). De bisschopszetel staat in de as van het gebouw, juist achter het altaar, dat in het midden van de apsis staat. Het altaar bestaat oorspronkelijk uit een steenen tafel (mensa) op treden, en waarboven een baldakijn op steenen zuilen (tabernakel, ciborium) is aangebracht. Bovendien lag het koor eenige treden hooger dan de vloer van het schip. Fig.254. 5. In later tijd wordt tusschen het koor en den triomfboog een dwarsbeuk (transept) aangebracht, waarvan de lange as rechthoekig staat op de hoofdas van de basiliek, en welke dwarsbeuk, daar hij evenhoog en evenbreed is als de hoofdbeuk, aan het kerkgebouw den hoofdvorm van een Latijnsch kruis verleent. Bij toepassing van een dwarsbeuk wordt het altaar naar het midden ervan verplaatst, terwijl ook dikwijls de vloer van dezen beuk eenige treden wordt verhoogd, en dus evenhoog komt te liggen als de apsisvloer. Als naderhand ook een deel van den hoofdbeuk bij het koor wordt getrokken, wordt ook van dit deel de vloer verhoogd en door een borstwering (cancelli) afgesloten. In dit gedeelte kreeg de lagere Fig. 257, geestelijkheid en het zangkoor een plaats. Tevens werden de preekstoelen (a m b o n e n, een voor lezing van de epistels, en een voor lezing van het evangelie) verplaatst naar de lange zijden van dit koorgedeelte in den hoofdbeuk, opdat de lezing beter door de gemeente zou kunnen worden verstaan.

De zetels naast het zangkoor waren bestemd voor de voorname Christenen, links voor nonnen en vrouwen (matronium) en rechts voor monniken en mannen (senatorium), terwijl de rest van de gemeente zich in de zijbeuken ophield. Naast de apsis komen in later tijd kleine vertrekken, waarin de benoodigdheden voor den dienst konden worden geborgen (sacristyen). Ook aan de voorzijde van het schip werd over de geheele breedte van de 3 of 5 beuken soms een gedeelte door een borstwering afgesloten (n a r t h e x), waarin zich de katechisanten ophielden.

3. Aanvankelijk stonden bij de kerken geen torens. Eerst vanaf de 6e eeuw kwamen deze in zwang, deden dan uitsluitend dienst als klokketoren, en stonden op eenigen afstand geheel vrij van de basiliek, bij uitzondering er tegen aan. Deze klokketorens (in Italië campanile

Fig. 258. genaamd) waren te Rome vierkant, te Ravenna rond; de laatste zijn de oudste. Zeer oud is de vierkante toren van de S. Satiro te Milaan (9e eeuw), terwijl de oudste toren te Rome van niet vroeger dan de 1 lc eeuw dagteekent.

4. Oriënteering. De priester stond oorspronkelijk achter het altaar, met het gelaat naar het Oosten. De hoofdas van de oudste kerken liep dus van Oost naar West, zoodat de apsis aan de Westzijde lag. Na 420 stond de priester vóór het altaar, en van dat jaar af ligt de apsis immer aan de Oostzijde, en zijn de kerken georiënteerd. Steeds bevatte het altaar reliquien; bovendien was het, indien mogelijk, geplaatst boven het graf van een martelaar.

Sluiten