Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE OUD-CHRISTELIJKE BOUWKUNST.

261

Fig. 263. Inwendige van de S. Apollinare in Classe, bij Ravenna. 534—549.

(Naar foto).

bij grafkerken, om er de sarcophagen in te plaatsen. Meestal zijn ze over diagonaal geplaatst

en vormen ze naar buiten apsiden. (Baptisterium van S. Giovanni in Fonte, bij den Fig. 264.

Dom te Ravenna). Deze doopkapellen staan in den regel aan de lange zijde, dan weer aan

de voorhofzijde, zelden aan den kant van het presbyterium. De hoofdvorm is meestal 8-hoekig.

In de latere doopkapellen is het doopbekken grooter (piscina) wegens het groot aantal doope-

lingen; de doop had n.1. door algehele onderdompeling plaats. Door het plaatsen van de

nissen op de diagonalen nadert de hoofdvorm weer het vierkant. (S. Giovanni in Fonte

bij de S. Restituta te Napels).

Rijkere monumenten van den centraalbouw hebben 2 of 3 omgangen, die ontstaan door de koepel op zuilen te plaatsen door middel van rondbogen. (S. Costanza te Rome). De Fig.259. 5. buitenste omgang is dan lager dan de koepelruimte, en de vensters werden geplaatst in de Fig. 269. koepelmuren en in de buitenmuren van den omgang. Aldus ontstaat een ruimteindeeling die Fig. 271. geheel oorspronkelijk is, en niet afgeleid van de klassieken. Uitwendig domineert de koepel. Als bij grootere kerken de nadruk wordt gelegd op de apsis, ontstaat een as van symmetrie. Als dan nog later ook nissen aan de beide andere zijden worden gebouwd, ontstaat een kruisvorm met het centrum in de kruising der assen; de hoofdvorm is dan die van een Grieksch kruis, welk christelijk symbool vooral in 't Oosten streng werd doorgevoerd. Fig. 255. 12. Het koepelgewelf rust dan op een cirkel, die ingeschreven is in het vierkant van de kruising

Sluiten