Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

} XIX. DE ROMAANSCHE BOUWKUNST EN DE BOUW- : j KUNST UIT DEN OVERGANGSTIJD NAAR DE GOTHIEK. I

EN REKENT DE MIDDELEEUWEN TE BEGINNEN MET HET JAAR 1000. HET RIJK

van Karei den Grooten, dat uit verschillende nationaliteiten was samengesteld, spatte na zijn dood uiteen, daar zijn opvolgers niet krachtig genoeg waren het rijk in stand te houden. Zij verdeelden het, als ware het privaat eigendom; in 843, bij het verdeelingverdrag van Verdun, werden voor altijd de Germaansche volkeren van de Romaansche gescheiden.

Tot in de tiende eeuw deden de Noormannen plunderend invallen in Nederland, Vlaanderen, Frankrijk en Italiü; Pavia werd door de Hongaren verwoest; in 912 werd Normandië, in 1066 Engeland en in 1130 Sicilië door de Noormannen veroverd, terwijl Spanje sinds 711 in bezit van de Mooren was. Bovendien zou met het jaar 1000, volgens voorspellingen, het einde der wereld komen, voorafgegaan door hongersnood, pest en oorlogen. Maar het jaar 1000 ging voorbij en de eerste jaren der elfde eeuw waren zelfs zeer voorspoedig en vruchtbaar. De abdijen en kloosters, door Karei den Grooten gesticht, voornamelijk als bescherming tegen invallen van heidenen uit het Oosten, en die gedurende dit duistere tijdvak in Europa's geschiedenis de centra vormden van wetenschap en kunst, werden onafhankelijk; de geestelijkheid kreeg grooten invloed op de lagere klassen der bevolking en dientengevolge ontstond de drang naar kerkbouw, die het begin inluidde van een voor de ge........»*....«».«........^....w........«..«....««—«—«» schiedenis der bouwkunst zeer . vruchtbaar tijdvak, de

Middeleeuwen, die in 3 hoofdtijdperken worden verdeeld: de Romaansche periode, de Overgangstijd en de Gothische periode. Ook de Romaansche bouwkunst wordt in drieën gesplitst: a. Vroeg-Romaansche periode (1000—1100); b. Bloeitijd (1100—1180), ene. Laat-Romaanscheperiode of tijdperk van den overgang (1180—1225 in Frankrijk, en 1180—1250 in Duitschland).

2. De kunstrichting van Karei den Grooten was gebaseerd op onmiddellijke navolging van de klassieken, en bleef beperkt tot paleis- en kloosterbouw en een enkelen centraalbouw; deze kunst bleef den Noordelijken volkeren vreemd. De Romaansche bouwkunst, oorspronkelijk, streng, zwaar, soms zelfs ruw en plomp, vertoont in de verschillende landen veelzijdige ontwikkeling en verschillen; al worden ook plaatselijk in den bloeitijd sierlijke motieven toegevoegd en rijker oplossingen gezocht, de hoofdindruk blijft steeds eenvoudig en waardig. Eigenlijk was „Germaansche stijl" een betere benaming, hoewel hij niet uitgaat van een bepaalden Germaanschen stam, en evenmin van een bepaalden Germaanschen landstreek, doch zich gelijktijdig ontwikkelt in West-, Noord-, Midden- en Zuid-Europa. En dan nog niet eens zonder voorbeelden (Syrië). Maar nooit wordt de Romaansche bouwkunst, zooals de op

Fig. 346, Noordelijk zijportaal van de kerk St. Gilles te 1'Ile Bouchard (einde 12e eeuw).

t niri»«n»mimi«»»w«iii«iMtt»Mim««»»»MMM»» haar volgende Gothische, schematisch; zelfs, toen de

Sluiten