Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

360

DE ROMAANSCHE BOUWKUNST.

het tongewelf over op de buitenmuren, en vormden als 't ware zoo een aaneengesloten reeks lichtbogen. De ononderbroken tongewelven rustten niet op schildboogmuren; daar dus de vensters beneden het tongewelf werden aangebracht, was de verlichting van het bovendeel der kerk slechts zeer spaarzaam, tenzij het tongewelf zelf door lichtopeningen werd onderbroken.

Het koepelgewelf vond uitsluitend zijn toepassing boven de kruising van hoofd en dwarsbeuk.

Tot steunpunten voor de gewelven dienden zuilen of pijlers; in Duitschland genoot de, meestal

vierkante, pijler de voorkeur, die rustend op een vierkante voetplaat, en hierdoor ook afgedekt, op de hoeken zijn uitgehold; in deze uithollingen wordt vaak een zuiltje geplaatst. Dek- en voetplaat zijn van hoogst eenvoudig profiel. De hoofd- Fig. 349. a, g. pijlers, die de gewelven van den hoofdbeuk dragen, zijn het zwaarst, en wisselen om den ander met de lichtere pijlers af, Fig. 347. 6.

die zijbeukgewelven dragen; in plaats van tusschenpijlers wordt ook wel gebruik gemaakt Fig. 347. 3. van zuilen.

De gordel- of dwarsbogen deelen de gewelven in vierkante vakken, waarvan een vierkant door het koor en ook één door de kruising wordt ingenomen. Daar de zijbeuken half zoo Fig. 347. 10. hoog en zoo breed waren als hoofdbeuk en dwarsbeuk, sluiten telkens bij een vierkant van den hoofdbeuk twee vierkanten aan van den zijbeuk. Een uitzondering vormt b.v. de abdijkerk te Laach, waar op één rechthoek van den hoofdbeuk één rechthoek van den zijbeuk aansluit.

Over ieder vierkant gewelfveld werd een kruisgewelf geslagen, aanvankelijk door doorsnijding van twee tongewelven, waarvan in plattegrond de snijlijnen diagonalen van het

Fig. 362. Kapiteel uit de St. Servaaskerk té Maastricht.

Fig. 361. Zuil uit de krypt te Rolduc.

Sluiten