Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

368

DE ROMAANSCHE BOUWKUNST.

Fig. 370. Gebeeldhouwd fries van de kerk te Selles-sur-Cher.

werd met vier halfronde zuilen tegen de zijkanten, welke half- Fig. 349.'a, t. zuilen bestemd waren voor het dragen van de arcadenbogen en gewelfbogen. De pijlerdekplaat werd soms zóó bewerkt, dat een op een zuilkapiteel gelijkende afdekking ontstond.

De zuilen, hoewel tot de 12e eeuw onder klassieken invloed, hadden geen bepaalde verhoudingen, maar lang en dun of kort en dik, al naar de plaats waar ze werden aangebracht; in den regel werden echter werkelijk dienstdoende

lm i iéi uh «yn'i«Mm in ■» 11111 ■ • ••••.••••••••••••••••ï zuilen zwaarder dan de decoratieve. Van verjonging was zelden sprake, muraalzuilen werden nimmer verjongd. Entasis en canneluren ontbreken steeds, en meestal waren de zuilen monoliet. De versiering van de Fig. 359. Romaansche zuilen is zeer willekeurig; getorst (schroefvormig gewonden), geschubd, glad, Fig. 360. met mozaïk bedekt, zigzagvormig gebroken, naturalistisch begroeid, werden bovendien deze Fig. 361. zuilen nog vaak naast elkaar aan eenzelfde monument toegepast. Dat rust en draagkracht zóó niet worden uitgedrukt, is duidelijk. Pijlers worden zelfs in twee richtingen door wandelpaden doorboord; eigenlijk vormen ze meer fragmentenmuur dan op zichzelf staande pijlers Fig.375. 1. (St. Front te Perigueux).

Het basement is Attisch-Ionisch, oorspronkelijk hoog, in den bloeitijd meer naderend tot de klassieke verhoudingen, en steeds voorzien van een vierkant plint, waarvan de vier buiten Fig. 361. het eigenlijke basement uitstekende hoeken door hoekblaadjes of dierornamenten van af de Fig. 359. basementtorens worden overgroeid. Deze hoekblaadjes zijn weer een kenmerkend Romaansch detail, en komen voor van af de 12e eeuw (het eerst in Lombardije), om in de 13e eeuw weer te verdwijnen.

Het kapiteel vertoont de meeste variatie, in vorm en kleur. Veelvuldig toepassing vindt de teerlingvorm, verwant aan den Byzantijnschen, en ook de Romaansche teerlingvorm, Fig. 363. g. bestaand uit een halven bol, door een abacus gedekt zoodanig, dat de buiten den abacus uitstekende boldeelen vertikaal zijn weggekapt; de overgang naar de zuil komt dan door een rolstaaf tot stand. Meestal is het teerlingkapiteel versierd, zóó, dat öf de hoofdvorm blijft spreken öf deze door ornament is overwoekerd en bijna onherkenbaar. Ook de Korinthische Fig. 364. hoofdvorm, maar meer geschematiseerd, komt aan oudere bouwwerken voor. De Romaansche Fig. 363. e.

Sluiten