Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

374

DE ROMAANSCHE BOUWKUNST.

bandvlechtingen, dragen Fig. 363. j, k een geheel kenmerkend meer Keltisch karakter; gesneden in hout blijkt de verwantschap met het Romaansch uit de drieot vijfvoudige bladlobben aan de einden der ranken en aan de met diamanten versierde stengels. Het Fig. 374. Scandinavisch ornament bevindt zich hoofdzakelijk aan de kerkportalen.

Het akanthusblad, vrij gevolgd naar het Romeinsche, is veel plomper en zwaarder van vorm, conventioneel, zonder op natuurstudie te berusten.

Naast al dit plastisch ornament, dat zeer dikwijls door kleur wordt opgehoogd, komt g es c h i 1 d e r d ornament

heel veel voor; het kerkruim werd n.1. geheel gepolychromeerd; bovendien was er een groot oppervlak voor beschikbaar op de gewelfvelden en de muren, die slechts door kleine vensteropeningen waren onderbroken. Krachtige kleuren, als gele oker, rood, blauw, lichtbruin, groen, purper, paars en goud vonden de meeste toepassing. De hoofdmotieven zijn meestal wit gecontoureerd, opgehoogd met goud of breed en donker omlijst. Zuilen werden geometrisch beschilderd, kapiteelen gedeeltelijk naturalistisch gekleurd als het plantornament betreft, of verguld met donkerrooden fond; in dit geval was het kapiteel zonder reliefornament in zijn eenvoudigsten vorm toegepast. De hollen zijn blauw of rood, de staven lichter, n.1. groen, rood en geel. Schaduwen worden niet toegepast, maar wel arceeringen in de richting van het vlak en den vorm, waardoor de muurvlakken lijken behangen te zijn met krachtig gekleurde tapijten. Daar de kostbare mozaïktechniek werd vervangen door Fig. 376. waterverf op droge kalk, zijn bijna alle Romaansche schilderingen verdwenen. Overigens is de beschildering van de architectonische onderdeelen meer logisch, omdat bij de decoratie van kapiteelen en profielen, waarbij de mozaïkbekleeding te veel technische bezwaren oplevert, de schilderkunst in inniger verband treedt met de te kleuren deelen. Trouwens, de grondstoffen voor mozaïkbekleeding waren niet aanwezig.

14. De decoratieve schilderkunst, figurale voorstellingen en gewijde tafereelen, dienden tot leering en stichting van het volk, en namen de plaats in van de boeken in later tijd. Door de geestelijken werd de symboliek bepaald, terwijl de meeste kleur werd geconcentreerd in koor en apsis. Eerst in de 13e eeuw blijkt in deze muurschilderingen natuurstudie. Bewaard gebleven of gerestaureerd zijn o. a. de gewelf beschilderingen in de kapittelzaal te Brauweiler, die in de kerk te Schwarzrheindorf. Ook de St. Gereonskerk te

Sluiten