Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

450

DE GOTHISCHE BOUWKUNST.

lijsten ontwikkelen zich op fraaie en rijke wijze, en volgens profielen die geheel met passer en liniaal zijn geconstrueerd. De sokkel is dikwijls eenvoudig recht, met schuinen bovenkant; de rijkere sokkels zijn geprofileerd als de basementen, Fig.440.7,9. maar zoo, dat ze niets meer gemeen hebben met de klassieke | profielen. Steeds is de sokkel laag, en weinig uitspringend. De lijsten onder de vensters en de kroonlijst zijn beide afwaterend, met een onder een hoek van 45° hellend boven- Fig. 435. 4. vlak (waterslag). Onder den schuinen kant komt een diep hol, aan den buitenkant een scherpen rand vormend, de druip- Fig. 440. 10. kant. Onder het hol volgt, tegen den muur, een rondstaaf. Gewoonlijk valt het geheele profiel binnen een rechten hoek. Hoe hooger de lijst werd aangebracht, hoe grooter de hellingshoek van het bovenvlak werd gemaakt; vermoedelijk om de erboven liggende bouwdeelen niet aan het oog te onttrekken. Al zijn de lijsten in de Vroeg-Gothiek gedeeltelijk rechtlijnig, alleen bij de kroonlijsten blijft aan den voorkant soms een gedeelte als vertikaal vlak bewaard. Fig.440.10DDaar de kroonlijsten bovendien klein zijn, vormde de na 1225 toegepaste borstwering een welkom motief ter verhooging van het effect.

Vertikale lijsten steunen steeds op sterk hellende vlakken van een gemiddelden hellingshoek van 45°, zooals b.v. de profielen in de dagkanten van de vensters. Deze steunen Fig. 475. echter niet op de dorpels, maar eindigen hooger op een schuin vlakje, loopen hier als 't ware op dood.

Onder zware lijsten wordt in den bloeitijd een bladrand aangebracht, b.v. bij kroonlijsten. De rondstaaf wordt dan Fig. 435. 4. vervangen door de fraaiere peervormige, terwijl de bladrand bestaat uit eenvoudige rijen vertikaal staande bladeren, of wel uit afwisselend grootere en kleinere.

De balustrade op de gootlijst bestaat uit posten, waar tusschen traceerwerk. In Engeland, Fig. 490. 3. en in de Noord-Duitsche laagvlakte in verband met den baksteenbouw, wordt vaak de balustrade door kanteelen vervangen. 18. De torens zijn echte klokketorens, echter veel minder in aantal dan in het voorgaande tijdperk. Meestal verrijzen twee hoofdtorens aan den Westelijken gevel, het portaal van den middenbeuk insluitend, en samen een breeder front beslaand dan de 3 beuken samen; zijn er 5 beuken, dan is hiervan de totale breedte evengroot als de frontbreedte van de torens.

Fig. 473. Domtoren te Utrecht,

VOOr de herstelling. (Naar Weismann).

Sluiten