Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

464

DE GOTHISCHE BOUWKUNST.

1.

Fig. 487.

waartegen half-zuilen staan. De gewelfribben be- staan uit een eenvoudig rondstaaf profiel, het traceerwerk is samengesteld uit cirkels. In de dagkanten van de tweedeelige vensters, en tegen den middenpost staan zuiltjes met basement en kapiteel. De pijlerkapiteelen zijn met naturalistische bladvormen versierd. De pijlers uit het bloeitijdperk zijn rijk als bundelpijlers geprofileerd, endragen Fig. 434.1,2 streng gestyleerde natuurmotieven; de gewelfribben worden peervormig. De gelijkzijdige spitsboog overheerscht; de vensters zijn gevuld met fijn, zuiver geometrisch te construeeren traceerwerk, voornamelijk drie-, vier- en veelpassen. In de dagkanten der vensters, en tegen de posten verdwijnen de zuiltjes, waarvoor diepe hollen in de plaats komen. De eenvoudige steunbeeren en luchtbogen uit het vroege tijdperk worden nu met fioelen en balustraden verrijkt. Vooral de torens treden nu als hoofdmotief op.

De Laat-Gothiek kenmerkt zich door een streven naar vereenvoudiging (hallenkerken), dat in nuchterheid ontaardt, öf naar overrijke detailleering. De bundelpijlers worden dikwijls door zuilen of achtkante pijlers vervangen, zonder Fig. 434. 11 kapiteel vloeiend overgaand in de gewelfribben. De gewelven zelve worden minder hoog, en reeds

is een streven naar terugkeer tot de horizontale

lijn der Renaissance te bespeuren. De rijkste ster-, net- en waaiergewelven, samengesteld soms uit gebogen ribben, gaan samen met vischblaastraceerwerk in de vensters, die gedrukte en omgekeerde spitsboogvormen vertoonen, terwijl de wimbergen meestal ezelsrugboogvormig zijn. Het ornament daarentegen wordt dor en schematisch. Fig. 434. 7.

MONUMENTEN.

In den Rijnstreek is de eerste Gothische kerk de Lieve Vrouwekerk te Trier (1227—1243), tevens een Fig. 432. 6. eigenaardig voorbeeld van Gothischen centraalbouw. In de hoeken van een Grieksch kruis staan telkens, straalsgewijs, twee lagere kapellen; boven de kruising verheft zich een toren, terwijl de koorafsluiting Fransch is. Behalve in de kruising werden eenvoudige zuilen toegepast.

De Elisabetskerk te Marburg (1235—1283) is driebeukig, eindigend in een veelhoekig koor; de een- Fig. 431. 6. beukige dwarsbeuk eindigt aan weerszijden eveneens in een veelhoekig koor. Evenals te Trier liggen de vensters in twee rijen bovenëlkaar. De beide hooge Westtorens zijn bekroond met massieve helmen.

Fig. 490. Dom te Regensburg.

Sluiten