Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

tandmeester zijn alléén zij, die met goed gevolg het theoretisch examen in de tandheelkunde hebben afgelegd. Dit examen betreft:

a. de ontleedkunde van de tanden, de tandkassen en het tandvleesch;

b. de physiologie dezer deelen;

c. de gezondheids-, ziekte- en geneesleer dezer deelen, daaronder begrepen de onderkenning der ziekten van de tanden, de tandkassen en het tandvleesch, waarvan de oorzaak algemeen is of in andere deelen zetelt;

d. de geneesmiddelleer en de recepteerkunde, voor zooveel noodig tot het voorschrijven van de plaatselijke geneesmiddelen bij de ziekten der genoemde deelen.

Van het examen in de vakken hierboven onder a en b vermeld, zijn vrijgesteld:

1°. zij, die met goed gevolg aan eene Nederlandsche Universiteit het examen naastvoorgaande aan dat ter verkrijging van den doctoralen graad in de faculteit der geneeskunde hebben afgelegd, of, voor zooveel die faculteit betreft, vermeld zijn in artikel 119 der wet van 28 April 1876 (Nederlandsch Staatsblad No. 102) tot regeling van het hooger onderwijs;

2°. zij, die voldaan hebben aan een examen in:

a. de ontleedkunde,

b. de physiologie en weefselleer,

c. de algemeene ziektekunde,

d. de pharmacognosie,

of aan eene universiteit in Nederland den graad van candidaat in de geneeskunde hebben verkregen. *)

ARTIKEL 26.

Van het theóretisch examen als tandmeester, bedoeld in artikel 25, zijn vrijgesteld zij, die een bewijs kunnen overleggen dat zij dit examen aan eene Nederlandsche Universiteit met goed gevolg hebben afgelegd.

ARTIKEL 27.

Bij het practisch examen ter verkrijging van de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst als apotheker wor-

*) Staatsblad 1905 No. 257.

Sluiten