Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

gesteld, is ieder nabestaande en, bij gebreke van dien, de inlandsche officier van justitie bevoegd om te verzoeken dat een curator over hem worde benoemd.

Dit verzoek wordt ingediend aan den president van den landraad, in wiens ressort het gesticht, gelegen is.

De president doet den verzoeker en de door dezen opgegeven ge:uigen oproepen om op een bepaaldelijk op te geven rechtdag voor den landraad te verschijnen.

Ten dage dienende worden de aldus opgeroepen personen, en wel de getuigen na eedsaflegging, gehoord.

Voor zoover de verzoeker en de door dezen opgegeven getuigen woonachtig zijn buiten het ressort van den landraad, wordt hun verhoor afgenomen door den landraad, in welks ressort zij woonachtig zijn. Ten opzichte van dit verhoor zijn het 3de en 4de lid van toepassing. Van het proces-verbaal van het afgenomen verhoor wordt een afschrift gezonden aan den landraad, die op het verzoek heeft te beschikken.

Wordt het verzoek toegestaan, zoo benoemt de landraad tot curator dengene, die verondersteld kan worden het best voor den onder curateele gestelde en diens goederen te zullen zorgen.

Ten aanzien van het einde dezer curateele zijn van toepassing de algemeene bepalingen omtrent curateele over Inlanders, met dien verstande dat de curateele wordt opgeheven door den landraad welke haar verleende.

ARTIKEL 43.

De artikelen 37 tot 40 zijn van toepassing op vreemde oosterlingen, die ter zake van krankzinnigheid in een gesticht zijn geplaatst en krachtens wettelijke bepaling aan den zéventienden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek zijn onderworpen.

Op vreemde oosterlingen, die aan het eerste, doch niet aan het laatste vereischte voldoen, zijn de artikelen 41 en 42 van toepassing.

§ VI. Strafbepalingen.

ARTIKEL 44.

Met gevangenisstraf van drie dagen tot zes maanden of geldboete van tien tot zes honderd gulden, voorzooveel Europeanen betreft, en met dwangarbeid buiten den ketting van gelijken duur of geld-

Sluiten