Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

lijk reeds zijn uitgebreid, geen voldoende ruimte bieden om de lijders te kunnen opnemen, zoodra door de Landraden tot hunne opneming in een gesticht machtiging is verleend. De meeste dezer krankzinnigen vertoeven dan ook langer in de inrichtingen tot voorloopige bewaring dan wenschelijk is.

Van hieruit worden zij naar gelang er in de gestichten plaatsruimte vrij komt, geleidelijk in volgorde van de data der vonnissen naar die gestichten overgebracht, met dien verstande nochtans, dat er zooveel mogelijk voor gezorgd wordt, dat er geen vonnissen komen te vervallen, doordat de termijn binnen welken zij ten uitvoer kunnen worden gelegd, verloopen is. Zoo wordt b.v. voor den inlander A. tot wiens opneming in een gesticht op / Maart 1915 machtiging werd verleend, door mij eerder een plaats aangewezen dan voor den Inlander B. tot wiens opneming bij vonnis van / April d.a.v. werd besloten, tenzij het vonnis van B b.v. slechts tot l Augustus 1915 ten uitvoer kan worden gelegd, terwijl het vonnis van A nog tot 1 October e.k. rechtsgeldigheid heeft.

In het laatste geval wordt d.z.z. aan B eerder een plaats in een der gestichten aangewezen.

Deze regeling die vele nieuwe machtigingen tot opneming voorkomt, heelt echter tot gevolg, dat de krankzinnigen, in wier vonnissen de kortste termijnen van ten uitvoerlegging is bepaald, steeds het eerst in de gestichten worden opgenomen, dus het .eerst een goede verpleging ondergaan, terwijl de medische noodzaak van de preferentie dan niet altijd vaststaat.

Waar dit m.i. voorkomen zou kunnen worden, wanneer de landraden de termijnen binnen welke meergenoemde vonnissen ten uitvoer kunnen worden gelegd, als regel op minstens 6 maanden stelden en niet dan bij gebleken medische noodzaak van dien regel afweken, in zooverre dat een kortere termijn van ten uitvoerlegging wordt gesteld, verzocht ik den Directeur van Justitie mij te willen mededeelen of tegen een dergelijke uniforme vaststelling van dien termijn bezwaren zouden bestaan.

Waar naar de meening van dien Departementschef daartegen geen bedenking bestaat, heb ik de eer UWEdG. in over. weging te geven, om het, zoo mogelijk daarheen te leiden, dat in de beschikkingen van de door U voorgezeten rechtbank waarbij machtiging tot plaatsing in een krankzinnigengesticht wordt verleend, de termijn na afloop, waarvan zoodanige beschikkingen niet meer ten uitvoer gelegd kunnen worden, bepaald

Sluiten