Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

366

VIII. ARTSENIJBEREIDKUNDE.

De candidaat moet toonen:

a. te weten van welke geneesmiddelen maximale doses in de pharmacopee zijn aangegeven.

b. bekend te zijn met de meest belangrijke combinaties van geneesmiddelen, welke niet in het zelfde recept mogen voorkomen;

en voorts bedreven zijn in:

c. het receptuurrekenen met decimaal-gewicht;

d. het volgens de regelen der kunst gereedmaken van ten minste twee recepten, waarbij van de pharmacopee gebruik mag worden gemaakt.

3. TOELATING van aspirant-Inlandsche artsen tot de openbare Europeesche niet-eerste scholen.

Hiervoor zijn o. m. voorschriften gegeven bij het besluit van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid van 20 Februari 1911 No. 3067, ^ luidende:

§ L (1) Toelating in het belang van den toevoer van goede leerlingen aan onderwijsinrichtingen als bedoeld in artikel 14, alinea 1 sub 1°, van het Europeesch Schoolreglement, geschiedt inzonderheid ten opzichte van zoons van eigenlijk gezegde Inlanders bestemd voor de School tot opleiding van Inlandsche .artsen (zgn. aspirant-Inlandsche artsen).

(2) Het getal in elk gewest uit dien hoofde tot de gezamenlijke openbare niet-eerste Europeesche lagere scholen binnen dat gewest toe te laten leerlingen wordt jaarlijks van Departementswege ter kennis van de Hoofden van gewestelijk bestuur gebracht.

(3) Geen toelating als aspirant-Inlandsch arts mag geschieden, wanneer niet de overtuiging bestaat dat de ernstige bedoeling voorzit het kind t. z. t. te laten mededingen naar een plaats aan de School tot opleiding van Inlandsche artsen.

(4) Overigens moet bij de keuze der aspirant-Inlandsche artsen uitsluitend gelet worden op de kans dat de candidaat een goed leerling der school tot opleiding van Inlandsche artsen

Bijbl. No. 5508 en 5910 zijn buitenwerking gesteld bij artikel 2 van Staatsblad 1911 No. 104

Sluiten