Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

574

De Landvoogd zou daarom gaarne zien dat in den vervolge verloven als hoogerbedoeld, in het bijzonder wanneer het geldt verloven van eenigszins langen duur, met inachtneming van de belangen van het onderwijs slechts worde toegestaan in geval van welbewezen noodzakelijkheid en na ingewonnen advies van de plaatselijke schoolcommissie.

Ten aanzien van personeel behoorende tot andere bijzondere diensttakken wenscht de Gouverneur-Generaal voorts dat tot het verleenen van verloven wegens gewichtige redenen voor eenigszins langen duur niet worde overgegaan dan nadat U zich, zoo mogelijk, desnoods telegrafisch, er van vergewist heeft dat bij den betrokken dienstchef tegen het verlof geen bezwaar bestaat, blijvende de beslissing uiteraard bij U berusten.

Nog is de aandacht van den Landvoogd er op gevestigd dat de wijze, waarop de Hoofden van gewestelijk bestuur thans kennis krijgen van het begin en het einde van verloven, vaak zeer omslachtig is en noodeloos uitgebreide correspondentie mede brengt.

Hoezeer dit eene aangelegenheid is, die door de betrokken autoriteiten zelve geregeld kan worden, acht de GouverneurGeneraal het niet ondienstig, onder de aandacht van UHEdG. te doen brengen, dat het voldoende schijnt indien iedere landsdienaar, aan wien op den voet van artikel -5 sub g van het nieuwe veriofreglement door het Hoofd van gewestelijk bestuur een verlof is verleend, mondeling of schriftelijk aan zijn directen chef kennis geeft van de dagen waarop hij zijne werkzaamheden neergelegd en hervat heeft en dat de aldus verkregen data éénmaal 's maands door dien chéf, desvereischt door tusschenkomst van het Hoofd van plaatselijk bestuur, worden opgegeven aan het Hoofd van gewestelijk bestuur. Voor het geval twijfel mocht bestaan aan de juistheid der door belanghebbenden verstrekte gegevens dient daarnaar natuurlijk door den directen chef aanstonds een onderzoek te worden ingesteld.

Ten slotte acht de Gouverneur-Generaal het niet overbodig om UHEdG. te doen opmerken, dat op plaatsen, waar naast het Hoofd van gewestelijk bestuur een assistent-resident bescheiden is als Hoofd van plaatselijk bestuur, eerstgenoemde autoriteit niettemin is aan te merken als de hoogste plaatse-

Sluiten