Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bach, Schumann: peethoven. Maar zij waren eenzame zangers en dichters van hun eigen verrukkingen, vreugden én smarten. Zij waren lyrici en het mimische vermogen, de kunst van den histrio, de kunst van den levenden schijn te verwekken, bezaten zij niet. Beider verlangen naar het drama is vruchteloos gebleven: Mendelssohn's Loreley en Schumann's Genoveva. In Wa gner vermoedden zij, reeds bij zijn eerste verschijnen, een vijandigen geest, een verontrustenden hartstocht, een hun vreemde sensibiliteit, een antipathieke persoonlijkheid. Zij stonden koud en achterdochtig tegenover zijn werk. Van zijn muzikaal talent hadden zij geen hoogen dunk. Zichzelf vonden zij „knapper", en in de schoolsche beteekenis van het woord hadden zij misschien wel gelijk. Toch vreesden zij hem. Schumann vond in „Tannhaüser" „vernuft." Hij noemde Wagner „ein geistreicher Musiker." Maar hij vond niet in zijn werk de expressie van hem sympathieke en bekende zielsaandoeningen. Mendelssohn, de beminnelijke, hulpvaardige Mendelssohn — misschien is dit het eenige voorbeeld van zijn zwakte — hij is tegen Wagner niet eerlijk geweest. Van „Tannhaüser" vond hij acht maten goed in het 2e Finale. Hij prees er eene habiliteit in, die ieder ijverige leerling kan verkrijgen. Dit was het oordeel van Mendelssohn over Tannhaüser. En Wagner was vroeger reeds tot hem gegaan, als een vlijtige leerling tot een machtig meester. Ook Mendelssohn wantrouwde en vreesde Wagner.

14

Sluiten