Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winter, een goed ding voor onvruchtbare tijden, een goede troost voor winterslapers en zitters bij vuren.

„Op den grond staat alles stil", zoo predikt daartegen de dooi-wind. De dooi-wind, die geen ploegende stier is, een woedende stier, een verdelger, die ijs breekt met toornige hoornen. Maar ijs breekt bruggen. O mijne broeders, is nu niet alles in strooming, zijn niet leuning en brug in het water gevallen? Wie zou zich nog vast kunnen houden aan Goed of aan Kwaad ? Wee ons, heil ons, de dooi-wind waait!'")

Zulk een dooi-wind en bruggen-breker was Nietzsche, „Zarathustra", zich wanend vervuiler van alle verleden. Want de schimmen van Parmemdes en Heraclitus gaan door de eeuwen in durende metempsychose, strijdend den onsterfelijken strijd van Zijn en Worden, de vraag naa«de onvergankelijkheid der dingen, in hoeverre wij omgaan met Schijn of met Zijn. Het Worden nu vierde in dezen tijd zijne grootste triomphen; naar de visie van het wordende leven en van het Leven als het eeuwige Worden, heeft zij het verst haar verlangen gestrekt, en daar de menschheid steeds een kracht maakt van hare zwakte en een god van haar menschheid, door den dwang van haar eigen innerlijk mysterie, en ieder volgend geslacht de menschheids-essentie bespeurt in de godheid van hunne vaderen, was geen afgoderij met het door de zinnen gewezene zóó groot, dat zij ophield, naar de verborgenheid achter den

*) Nietzsche, Also sprach Zarathustra.

59

Sluiten