Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere het product van een leven in stijgende linie, en in hoeverre van de toekomst een verzoening dezer beide, volgens Nietzsche strijdige krachten te wachten zou zijn!

De eerste vraag omvat geheel het door Nietzsche absoluut eigenaardig gestelde probleem der ,4ècadence", waarvan hij in de ideeënwereld het XIXde eeuwsch pessimisme, in de artistieke wereld de kunst van Wagner, als de scherpst omschreven en onderling door een fatalen band aaneengeklonken uitingen zag. Deze meeningen vatte hij in de brochure „der Fall Wagner" (= der Fall Nietzsche) samen tot de stelling: ,,Erst der Philosoph der Decadence gab dem Künstler der Decadence sich selbst."

Het is hier de plaats niet, noch de gelegenheid, te beschouwen, hoe zich deze meeningen voor zouden doen, als men ze ontdeed van dezen omhullenden mantel der hartstocht, noch ook de met groote scheipzinnigheid door Nietzsche aangewezen fluctuaties, die Wagners denkbeeldendoor Schopenhauers invloed ondergingen (Nietzsche, Genealogie der Moral über Ascetische Ideale II), evenmin te verklaren, hoe Nietzsches steeds meer vijandige stelling tegenover de „romantiek" genaamde geestesstrooming hem fataal tot een breuk met Wagner moest brengen, niet alleen met den mensch, wiens ziclsintimiteit hij zoo rijkelijk genoten had, maar ook met de in Wagner geïncarneerde Idee, die, als deze tijd, zeker een phantastische synthese was van onderling strijdige christelijke en antieke cultuurelementen. Hoe Nietzsche ook deze romantiek zag als décadence-symptoom,

IOI

Sluiten