Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al mogen deze meeningen wellicht niet geheel van eenzijdigheid vrij zijn — waar is het. dat dit alles slechts een kort Intermezzo zal blijken geweest te zijn. en in ieder geval een stil einde.

Ook Nietzsche heeft dit gevoeld, toen men meende, dat hij met „der Fall Wagner" ten gunste van Wagner's tijdgenooten had gesproken — de gewaande voortzetting der „klassieke traditie" — en hij antwoordde: „andere musici komen tegen Wagner niet in aanmerking". Of heeft men zich nooit met Nietzsche de vraag gesteld: „Was liegt noch an Brahrns", en zou de tijd zoo heel ver af zijn, waarin men met betrekking tot meesters als Brahrns en Rubinstein de verzuchting van St. Bernard van Clairvaux zou naspreken:

„Die ubi Tullius clarus eloquio, Vel Aristoteles, summus ingenio!"

Maar het is waar, dat deze gedachte meer gedacht dan gezegd pleegt te worden. In ieder geval zal de tijd wel nabij zijn, waarin men zal inzien, dat behalve de essentieel verschillende verhouding van beide meesters (Wagner en Brahrns) tegenover de toonkunst, de een mag genoemd worden bouwmeester van een nieuw huis, waarin vele nog komende geslachten zullen wonen, de ander een hoogst bekwaam kunstrijk werkman, dien de droefenis over den dood van eenmaal bloeijende schoonheid maakte tot dichter. Het juistere stijlbegrip is het inzicht in de ware proporties van doel en middel in de kunst in het bijzonder, van de verhouding der muzikale kunst

106

Sluiten