Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na hem zal heerschen, wordt ons aanstonds duidelijk, als wij zien, hoe de Alexandrijnsche litteratoren door de toepassing van de Aristotelische beginselen het begrip voor het naïeve, monumen taai-populaire, ongeleerde der oudere Grieksche dichtkunst, Homerus, Pindarus, Aeschylus, Sophocles, tot in onzen tijd toe verduisterden, iets wat men meer of minder beklagen zal, naarmate men zelf meer of minder met intuïtie begaafd is.

Dat de Heer Kuiper juist dit onderwerp koos, kan men als een verblijdend bewijs beschouwen, dat de philolcgie weder eens over zichzelve is gaan nadenken.

Ook vroeger heeft zij dat wel gedaan, maar nimmer met zooveel bescheidenheid en zelfkennis. Ook werd het tijd dat dit weer eens gebeurde, omdat de polsslag van dezen tijd over 't geheel sneller gaat, dan die der klassieke philologie. Dat het tijd werd, toonde ook de Heer Kuiper te gevoelen, daarom ondernam hij het, de philologie te rechtvaardigen voor het forum der hedendaagsche samenleving tegen het veelstemmige en verwarde gedruisch van gegronde en ongegronde beschuldigingen.

Het valt niet te ontkennen, dat hij dit met smaak en talent heeft gedaan, en niemand, die de onmisbaarheid der oude talen als opvoedingsmiddel kent, die dit niet met vreugde zou begroeten. Maar dit geval heeft nog een ruimere strekking. Want het optreden van den Heer Kuiper, (zooals ook dat van den Heer Beek als privaatdocent in de latere latiniteit), geeft het

162

Sluiten