Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kale. In den boezem der muziek zelve, de kunst bij uitnemendheid van het „orgiastische" (hartstochtelijke) en passioneele leven (volgens Schopenhauer, Wagner en Schiller), moeten wij dus aannemen een tegenstelling tusschen de vocale kunst als Apollinisch principe, van het Woord uitgaande en van den Mensch, en de instrumentale, als Dionysisch principe, uitgaande van de Natuur. Wanneer men nu deze termen zoo opvat, dat zij geen dingen op zich zelve, maar slechts relaties uitdrukken, kan men het bovenbedoelde verschijnsel in de gansche muziekgeschiedenis van Europa, van de tweede zoogenaamde katastasis der muziek te Sparta (letterlijk: muzikale constitutie) door Thaletas (600 v. Ghr.)1) af, tot op onze dagen vervolgen; de namen veranderen, de verhoudingen blijven bestaan. Wanneer strenge wetgevers en kunstrechters in de oudheidde auletische (fluit-) muzieknoode duldden, wanneer Plato en Aristoteles voorschriften gaven over het gebruik der toonaarden en der toonkunst naar hunne ethische en politieke beginselen, wanneer Aristophanes Euripides geeselt over het invoeren van nieuwe virtuosenmuziek

*) Otfr. Müller, Gesch. d. Gr. Litt. I a8i. „Um auf die Ursprünge der musicalischen und iugleich poetischen Productionen des Thaletas zurückzugehen, die in den alten Götterdiensten seiner Heimath gegeben waren, so herrschte damals in Kreta der Dienst des Apollon vor, dessen Charakter im Ganzen ein feierlicher Schwung der Seele, festes Vertrauen auf den Schutz des star ken Gottes und rullige Ergebung in die von ihm verkündete Ordnung der Dinge war."

i8x

Sluiten