Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonen zijner techniek, tot dergelijke dwalingen heeft laten verleiden. Deze composities maken den indruk, alsof Strauss nimmer echte vocaalmuziek heeft leeren kennen en, wat nog erger is, dat hij geen liefde bezit voor dat allerschoonste toonmateriaal: de menschelijke stem. Men zou kunnen zeggen, dat in deze laatste werken van Strauss de geest van het nieuwere Duitschland, van het Duitschland van na den oorlog van '70 tot uiting gekomen is, in zooverre als beide door eene verbinding van rustelooze „productiviteit" en materialisme gekarakteriseerd worden. In al deze werken toch toont Strauss zich een materialist: Vooreerst, doordat hij van Wagners aesthetiek niets geleerd schijnt te hebben, maar toch Wagners middelen in veel sterkere hoeveelheid gebruikt, ter verkrijging van krassere en bloot uiterlijke effecten. Vervolgens, door zijn verwaarloozen van het melodische ten gunste van het karakteristieke timbre, en door zijn vergroving van Wagners melodietype in het algemeen. Want het materiaal van deze werken is het materiaal Van Wagner, maar in slechtere alliage, ondanks alle orchestrale verfijning. Vooral is Strauss materialist door de wijze, waarop hij tot zijne onderwerpen staat, waarop hij de gedichten van anderen exploiteert tot zijne pseudo-zestienstemmige doeleinden, en waarop hij zich van het werk van Nietzsche bediende, om zijne extravagante technische vaardigheid in het instrumenteeren te toonen, alsook door het misbruik, dat hij' in die koorwerken van de menschelijke stem maakt.

186

Sluiten