Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier blijkt dus, dat de heer De Boer aan Nietzsche wel tot op Zekere hoogte zijn onderwijsmethode wil ontkenen, maar dat hij den theoretischen grondslag van Nietzsche's philosophie en ook van diens opvatting der geschiedenis van de philosophie, namelijk de superioriteit van den wil boven het intellect, niet aanneemt. Hij wil dus de woorden van Seneca, die Nietzsche bij de aanvaarding van zijn professoraat te Bazel omkeerde, ') wederom op hunne plaats zetten, en met betrekking tot Nietzsche's philosophie zou men van de rede van den heer De Boer kunnen zeggen, wat Seneca van de Stoïcijnsche scholastici schreef: „Philologia facta est quae philosophia fuit."

De titel der rede zou dus „psychologisch" opgevat gelijk staan met „Nietzsche en De Boer", daar de laatste over den eerste spreekt als geleerde tot geleerden, en de wetenschap ten slotte datgene is, wat de heer De B. zich onder dit woord voorstelt. Hij tracht Nietzsche te begrijpen en te waardeeren van uit „de wetenschap", terwijl

mensch niet aanvaardt. (Helaas is dit op grammatisch gebied met het eenige germanisme der rede, vermoedelijk het gevolg van overmatige lectuur van het duitsche geleerdenjargon. De heer de B. schrijft ook, p. 45, „menschelijkheid", waar hij „menschheid" schijnt te bedoelen en gebruikt uitdrukkingen als „medicijnen te studeeren", p. 16). De tegenstelling van een weinig menschelijk benaderende waarheid met bovenmenschelijkheid, wordt door de veronderstelling van het verwerpen der leer van den Uebermensch toch nog niet duidelijker 1 l) K, 34.

194

Sluiten