Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist de groote beteekenis van Nietzsche onder anderen daarin ligt, dat hij in den geest van Heraclitus de wetenschap van uit de „Optik" des levens beschouwde en Goethe's woorden: „Uebrigens ist mir alles verhaszt, was mich bloss belehrt, ohne meine Thatigkeit zu vermehren, oder unnüttelbar zu beleben," zijn boek,, Ueber den Nutzen und Nachtheil der Historie für das Leben" opende. Dat dit Nietzsche's standpunt tegenover de wetenschap was in zijn ie en 3e periode is genoegzaam bekend. Maar de heer De Boer vergist zich als hij denkt, dat het Nietzsche in zijn 2e periode te doen was om wat hij gewoonweg „weten" noemt. Wanneer daarmede hetzelfde bedoeld wordt als met het woord „wetenschap", welnu dan is het zeker, dat ook in die zoogenaamde 2e periode dit „weten" voor Nietzsche niet doel was, maar middel. Ook in deze periode was het hem, — indien men de werken „Menschliches alzu Menschhches," „Der Wanderer und sein Schatten," „Morgenröthe" ') „psychologisch" 2) beschouwt, om met Schuré te spreken — om „het geheim van het leven" te doen, in dien zin namelijk, dat hij als rechter der bestaande cultuur en propheet eener toekomstige, de „wetenschap" thans als den weg ter cultuur beschouwde, zooals hij het vroeger de kunst

*) De heer De Boer rekent, naar 't mij voorkomt terecht, Die fröhliche Wissenschaft tot de 3e periode, of als overgang daartoe.

*) Waarschijnlijk bedoelt de heer de B. hetzelfde als hij zegt: (p. 47) „Natuurlijk moet hij kritisch gelezen worden.

195

Sluiten