Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Theü von der erstaunlichen Ausbildung, den raffïrürten Bedürfnissen des Ohrs und Kehlkopfs ab, zum andern Theü von der Starke, Dauer und Macht der antiken Lunge."

Daarentegen kenteekent zich volgens Nietzsche de Utterariscke „Decadence"') „damit, dass das Leben nicht mehr im Ganzen wohnt. Das Wort wird souverain und springt aus dem Satz hinaus, der Satz greift über und verdunkelt den Sinn der Seite, die Seite gewinnt Leben auf Unkosten des Ganzen — das Ganze ist kein Ganzes mehr"3).

Komisch is het eindelijk, iemand, die een „rede" houdt in zulke nuchtere, kortademige zinnetjes, als de heer De Boer, den prozakunstenaar Nietzsche te hooren verwijten, dat „de plooien van zijn periodischen stijl niet lang en breed

1'art, le style, le talent, 1'exécution. Des idéés ébauchées leur suffisent". — Ce que les Allemands appellent la forme est pour moi 1'essentiel". etc. Nietzsche noemde (Jenseits 254) Taine : „den ersten lebenden Historiker."

1) De héér de B., schijnt hier onder den invloed der moderne Hollandsche litteratuurkritiek, die van een geheel ander beginsel uitgaat, dan Nietzsche's prozakunst. Grotesk wordt het echter, wanneer hij op modern„artistieke" wijze het praedicaat „het best" (en nog wel om den inhoud !) toekent aan de Dionysosdithyramben, deze gruwelijke en in de onmiddellijke nabijheid van den waanzin onstane producten. Hier gaat het phlegma van den heer de B. wel heel ver! De zoogenaamde „woordkunst" is een kunst, die zich juist door het missen eener traditioneel ontwikkelde techniek van kunst in den tot dusver gebruikelijken zin onderscheidt.

2) Verg. P. Bourget, Essais de psychologie contemporaine I, 24, geciteerd bij W. Weigand, Fr. Nietzsche, ein psychologischer Versuch. München, 1893. p. 68.

209

Sluiten