Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDEN's ONTWIKKELINGSGANG

11

De dichter en de denker beiden komen tegen hen in op» stand. Gemoed noch verstand worden door hun onwijze wetenschap bevredigd. Zij verklaren alles, neen, beloven alles te verklaren, wanneer men maar aan de eeuwigheid van de stof wil gelooven — meer niet.

De «Studies» geven op dit punt aan het dichterlijke verhaal een weten schappelijken grondslag. De physiologie is niet bij machte de geestelijke functies te verklaren, al worden deze door de physiologische vergezeld. Dat daarom de laatste de voldoende grond zouden zijn van de eerste — hij is niet zoo naïef en onwetenschappelijk, om dat aan te nemen. Inderdaad hebben Pluizer en Cyfer aan hem een zwaarder partij dan aan de materialisten van zijn tijd, die Wistik goedkoop overduvelden met den dooddoener van «ik»weet,» of.... «wij»komen*er»nooit«achter.»

Voorloopig tracht hij zich tevreden te stellen met een soort monisme. Wij moeten aannemen, dat wij hetzelfde gebeuren op tweeërlei wijze ervaren, physiologisch en psycho* logisch. Maar in den Grondslag van Verstandhouding erkent hij de feitelijkheid van psychische functies, waarvan geen physische parallel is aan te wijzen. De materialistische ver* klaring van het rieleleven is met deze erkenning in beginsel verworpen.

Bij al zijn verwarring is de kleine Johannes wijs in zijn breken met het materialisme en in zijn afkeer van deze triviale wijze van denken, wat de kans opent op een ruimere geestesontwikkeling.

De Kleine Johannes is voor ons volk bedorven door de paedagogen en pedanten, die met hun commentaren de fijne allegorie hebben vermoord. Een heel systeem van opvoeding probeerden ze op te diepen uit deze vrijwel negatieve geschiedenis eener kinderziel.

Van een levensboek, van zoo iets als een evangelie, heeft de Kleine Johannes niets. Achteraf is het met veel goeden wil mogelijk er den schemer in te zien van den dag, die thans in volheid is opgegaan, maar niet bij schemer, doch

Sluiten