Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDEN's ONTWIKKELINGSGANG

13

aan schoone verzen put ik er uit? De dichter van Ellen breekt met den waan, dat in de ontroerde gevoeligheid, onder de nawerking van het leed, de geheele vervulling des levens zou zijn te vinden. Welke de artistieke waarde van «Ellen» moge wezen, de mensch, om het naar sommiger gevoel erger te zeggen, de moralist, inspireert er den poëet. Maar Van Deyssel, die gefulmineerd had tegen de «gedachte» in de kunst, verffief het Lied der Smart tot in den zevenden hemel - om het jaren later, onder den invloed van een polemisch conflict tot zuiverder onderscheiding gekomen, met veel meer consequentie dubbel te verwenschen.

In Ellen wordt het raadsel van het leven aangetast in zijn kern. De smart maakt den mensch wakker voor het groote probleem. Niet de lust, maar het leed ligt ten, grondslag aan alle opstrevende speculaties; het vindt zijn geestelijken weerslag in het .«waarom». Het «waarom» en het «waartoe» van het leed, daar trachten de godsdiensten een antwoord op te gevèn; ook de wijsbegeerten is het geraden zich zichtbaar op dat antwoord te richten, op strafte van anders geen sterveling op den duur te boeien.

Het «ik» van het Lied der Smart vertoont Van Eeden, die volgens de geestelijke mode dier dagen de wijsheid in het Verre Oosten gaat zoeken. Het Boeddhisme van Van Eeden is echter, gelijk dat van zoovele anderen, een groote vergissing geweest. Het oneindige kwelt hem; de onge» wisheid laat hem rust noch duur; de geleider, die Johannes in een vizioen tegemoet trad, blijft voorloopig enkel poëtische verbeelding. Voor het geweldig fenomeen van den dood, die geen aardsche liefde ontziet, storten al zijn illusies' ineen. Hij weet er geen verklaring voor, of het moet de loutering zijn door het leed, dat afschaduwt van den dood der geliefde. Maar bij al zijn meditatie daarover, is hij er verre van, de smart als loutering te ondergaan. Zijn hoog» moed is op het goddelooze af; hij houdt zich voor den godenzoon, in schijn van deemoed gehuld, en hoog zijn gangen gaande boven de menschheid, die hij gering acht.

Sluiten