Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDEN'S ONTWIKKELINGSGANG

21

twijfel meer, wie in de negentiger jaren de schenners van 's levens realiteit en waardigheid waren.

De botsing met de Nieuwe Gids* was principieel; het leven zelf was' de inzet. Tusschen ethisch en aesthetisch bestaat zeker geen onherroepelijke tegenstelling; echter hadden de tachtigers van beider verhouding een dilemma gemaakt door de ethiek te verzaken voor de schoonheid. De tegenstelling tusschen Van Eeden en de tachtigers ver* toonde zich in verschillende aspecten, aesthetisch, etisch en maatschappelijk. De woede, waarmee de houwdegens in «krijgvoerend proza» tegen Johannes Viator van leer trok* ken, is achteraf beschouwd van weinig beteekenis. Ook dat proza is op zichzelf onbelangrijk. Van hoog belang is echter de strijd, waarin een nieuwe wereldbeschouwing zich in deze tijden uit de macht van naturalisme en amorafiteit vrij maakt en waarvan in ons land het onstichtelijk gevecht rond Johannes Viator een eerste aankondiging was. Van Eeden zag het in zijn geweldige volstrektheid, als een geding tusschen hemel en hel. Met het naturalisme wist hij den waren weg; hij vindt er plaats voor in de hel, waar de rijpere Johannes het doorziet in zijn volle nega* tiviteit. De matte mensch van tegenwoordig vindt zoo een verdoeming overdreven en denkt daarbij liefst aan per* soonlijke verbittering; er steekt echter geen overdrijving in.

Van Eeden wist van geen geven*en*nemen; tegenover van Deyssel vooral, stelde hij de zaak scherp: gij óf ik. Hij is een profetische natuur geheeten; in ieder geval heeft hij de verzoeking van een profeet doorstaan. Voor de aardsche schatten van woordkunst en sensueele ontroering heeft bij zich niet neergebogen in aanbidding. In het licht van zijn bekeering, en gerekend zijn schitterend kunstenaarschap, was die trouw aan het leven een groote daad van wereldwijze allure. Want het komende geslacht zal niet groot worden, eer het dezelfde verzoekingen heeft doorstaan.

Het verwijt van huichelarij, aan Van Eeden's adres, teekent het wezen van de botsing. Den tachtigers ontbrak het zin*

Sluiten