Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

FREDERIK VAN EEDEN'S ONTWIKKELINGSGANG

gang. Wij zijn aan het rad geklonken, in den fatalen kring besloten; daar is geen uitkomst. Wel houden wij er iets op na als een wilsbesef en vaart ons bij tijden een gevoel van vrijheid, van macht tot zelfbepaling aan, maar dit is niets dan waan. Het is mogelijk, dat er een orde is, maar van hare wetten weten wij niéts; alle streven naar begrip van die orde is tevergeefsch. Het leven, het geheele complex waarin wij bevangen zijn, streeft óns; daarom loopt iedere inbeelding van eenig vermogen tot zelfbepaling op niets dan ontgoocheling en ellende uit.

In den tredmolen treden en zwijgen, desnoods zich grimmig verbijten, maar nimmer hopeloos zich verzetten, daarin is alle bereikbare levenswijsheid gelegen. Het leven doet wat het wil en 'spot met de arme menschen, die zich illusies van vrijheid en zelfbestemming in het hoofd halen; het is ironisch.

De ironie is het hoofdmoment in dit doorgevoerde pes* simisme. Het loopt met den mensch, die aan zijn vrijheids* waan toegeeft en tracht het eigen lot te dwingen, altijd anders dan hij hoopt en verwacht. Ironie lijkt wel de ziel van het bestaande; het levén is er op aangelegd bepaalde begeerten en idealen te wekken en tegelijk de voldoening en verwezenlijking er van uit te sluiten, terwijl onder andere condities de menschen terecht zouden komen en bevrediging zouden vinden. In den wil tot het onvervul* bare is de kern van 's levens tragiek gelegen.

Madame Bovary, Salammbó, Matho, Bouvard en Pécuchet, zij botsen allen tegen de onvermijdelijkheid op, tegen het noodlot der omstandigheden. In andere omgeving en vers houdingen geplaatst, zouden zij groot en goed en gelukkig zijn geworden in bevrediging en uitzuivering der zelfde begeerten. Maar het leven speelt met hen zijn ironisch spel; het schept juist die condities, welke dezen armen menschekinderen noodlottig worden. Zij gaan te gronde, omdat zij de eenig houdbare wijsheid niet willen aan* vaarden, dat er voor den mensch niets opzit, dan zich te onderwerpen en te berusten.

Sluiten