Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDENS ONTWIKKELINGSGANG 35

haar naar de diepste diepte der ellende, - waarin zij tot inkeer komt. Dan vangt de herrijzenis aan. In het feit dier opstanding is de ethische beteekenis van dezen roman ge* legen. Met de erkenning van de zonde als zonde en van de mogelijkheid tot zuivering en inkeer - tegen den dwang der omstandigheden in - stelt de schrijver van de Koele Meren zich in beginsel tegenover Flauberfs fataliteit. De mogelijkheid van de zelfbepaling des menschen wordt hoog» gehouden tegenover het laatste woord van Flaubert, dat verbeten zwijgen en doffe berusting de hoogste wijsheid zijn. Bij de beschrijving van Hedwig's leven worden goed en kwaad, deugd en zonde als zoodanig opgevat; in hare pijnlijkste zelfontledingen spaart zij zich het vonnis niet. Door leed en ontgoocheling tot inkeer en zelfschouw ge* dreven, pleegt zij in het licht van haar geweten gericht te houden over hare daden. Afgedwaald uit de «Heilige Richting, de Linie van Genade,» die de dichter van het Lied van Schijn en Wezen in het leven had erkend, begeeft de goede wil tot het plichtgetrouwe volgen daarvan haar nimmer geheel en al. Hoe ook geslingerd door omstandig» heden en eigen zwakheid, blijft zij als de poolnaald het gulden midden zoeken. De vergeestelijking maakt alleen het geheele leven uit, orakelt haar man; het zinnenleven is alles, zoo vleit de verleiding - maar, door den roes der sensualiteit heen, voelt zij het heimwee om de verloren zuiverheid schrijnen.

Voor wie de schoonheid niet begrijpt als de stralende waarheid, moet tusschen schoon en onschoon óf goed en kwaad als levensnormen gekozen worden. Aan die keuze is niet te ontkomen, zoolang een hoogere eenheid, waarin het ethische en het aesthetische elkaar ontmoeten, niet is gevonden. In haar buitenechtelijke verhouding dringt zich dit dilemma aan Hedwig op. In die verbintenis, zoo angstig onvast, botsen deze beide opvattingen des levens, in haar en Ritsaart belichaamd.tegen elkaar op; aan hun verzoeningisgeen van beiden toe. Voor wat hij voor schoon houdt wil de een,

Sluiten