Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

FREDERIK VAN EEDEN's ONTWIKKELINGSGANG V

DAT woord van Meester Eckhart, dat de mensch eerst zichzelf moet leeren verdragen, dan zijn medemenschen en dan God, zou Van Eeden zich levenslang herinneren.

Deze waarheid, in ontzettenden ernst ondervonden, werd het leidend motief voor de belijdenis van den bekeerling. Maar in den schrijver van Hedwig's leven was zij enkel wetenschap, geen wijsheid, geen «structuur der ziel». Vernemen, begrijpen en doorleven zijn zeer onderscheiden; de berusting van Hedwig heeft weinig van den vrede in God. Het was ook Meester Eckhart, die zeide: «in de stilte heb ik een woord gehoord». Hedwig kon hem dit niet nazeggen; in de stilte van haar levensavond is het Woord als verstomd. En van het verdragen van God was daar geen sprake.

De Kleine Johannes, het Ik uit Ellen, Johannes Viator, Hedwig, allen dichterlijke spiegelbeelden van Van Eeden, verdragen noch de menschen, noch zichzelf. Verstrikt in hun hoogmoed, worden zij bedrogen door den waan van eigen meerwaardigheid.

Individualisme en geestelijke hoovaardij zijn zeer nauw aan elkaar verwant; met zichzelf alleen, is de mensch tot zelfgenoegzaamheid geneigd, wat vroeg of laat tot de groote instorting voert, wanneer zijn ongenoegzaamheid zich open» baart. «Het is niet goed, dat de mensch alleen zij»; hij is geschapen voor de gemeenschap met de evennaasten en daarboven uit met God. Het gemeenschapsleven geneest hem van zijn zelfgenoegzame en zelfzuchtige 'neigingen, van hoogmoed en van overschatting van eigen waarde. De individualisten miskenden het feit, dat de menschheid, behalve als veelheid van persoonlijkheden, als eenheid geschapen is. Daarmee vergrepen zij zich aan het gebod: God boven alles lief te hebben en den naaste gelijk zich» zelf, waaraan geen veilig ontkomen is. De eenzaamheid, die zij Hef hadden, richtte hen ten gronde. Geen harts*

Sluiten