Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDENS ONTWIKKELINGSGANG

41

geest, aan wien de menigte haar besef van minderwaardig* heid wreekt. Dezen stormen het hoofd biedend, wordt Johannes sterk; de beproevingen maken hem reëel. Nuchter wordt hij nooit, tot het einde toe niet. De liefde leert hij, behalve als een zaak van droom en en dwepen, vooral be* grijpen als plichtsvervulling; met Marjon, nu even concreet als ideëel, weet hij hard te werken voor den kost. De strijd om het bestaan, waarin deze gelieven mekaar verheffen tot hooger niveau, geeft pas den waren inhoud aan hun liefde. Daarin vindt hij iets van den verzoening van droom en werkelijkheid, van poëzie en leven. Toch heeft het er den schijn van, alsof het voor Johannes met de poëzie gedaan is. De fantasieën der jeugd zijn uitgebloeid en verwaaid, de groote milde natuur zwijgt, alsof ze gestorven is. De natuurdroom van zijn jeugd, van de jonge menschheid, heeft afgedaan. Het is hard, maar hij moet het aanvaarden — Pan is dood. Over het gouden»eeuwsche land van de mijmeringen der kindsheid pakt de somberheid samen. Het leven is hard en ingewikkeld geworden en de aarde zwart; de onbevangenheid van den primitieven mensch is voor hem voortaan onbestaanbaar; op de duistere aarde strijden de horden hun bitteren strijd, die de arkadische blijheid onmogelijk maakt. Die levensvorm kan niet wor* den herhaald; de heele natuur moge treuren, maar al haar weeklachten kunnen Pan niet wekken uit den dood.

Door deze wreede werkelijkheid moet ieder heen, die tot 's levens volheid wil geraken; zij kan overwonnen wor* den, maar de moderne mensch moet zich verzoenen met de gedachte, dat zelfs die overwinning Pan niet zal doen herrijzen. De oude geluksstaat der kindxvolken is voor» goed voorbij. Een andere, dieper«bewuste toestand van geluk wacht ons na den bangen doortocht door dezen harden, nuchteren tijd. Maar Van Eeden achtte het geluk onbestaanbaar, tenzij op.den onderbouw van een betere [maatschappelijke orde. Omvorming van mensch en maat* schappij is daarom de opgave; men beproeve niet zonder

Sluiten