Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDEN'S ONTWIKKELINGSGANG

47

is hij tot een bevredigend en bestendig maatschappelijk

verdrag niet in staat. Hen categorische imperatief is imperatief, zoolang de mensch hem duldt; ter wille van zijn stoffelijke belangen gooit hij de subjectieve zedenwet overboord. »

Waar het solidarisme niet steunt op de goddelijke wet der naastenliefde, als zoodanig erkend, houden eigenbaat en eigenzin vroeg of laat de overhand. Eigenzin en eigen* baat echter zijn verwoesters der maatschappij; hunne werking is beslist ontbindend. De samenleving, waarin zij heerschen, gaat ten gronde aan onderlinge afstooting van hare deelen. Een schijn van orde en evenwicht is mogelijk, zoolang de belangentegenstelling zich niet of slechts matig laat gelden. Maar vroeg of laat barst de strijd om de materjeele oppermacht los; na een korstondigen schijn van vrede begint weer de trieste historie van de vrije mededinging, zeg van bandeloozen strijd op leven en dood. Inderdaad valt er buiten het christendom maar één consequentie te trekken: de klassenstrijd, totdat de dood er op volgt.

Als proeve van sociaal verdrag bedoeld, scheurde Walden uiteen door de splijtende werking van het individualisme der deelgenooten. In een dergelijke, solidaristisch bedoelde, maar seperatistisch levende gemeenschap, stelt uiteraard de

gezagskwestie zich met alle scherpte. Iets moest er gebieden, wanneer dan de liefde het niet doet. Waar de liefde woont! gebiedt de Heer zijn zegen; waar zij niet woont, zal men trachten zich, zoolang het gaat, met menschelijke tucht* middelen te redden. Maar de tucht ontaardt dan gauw in een dwangsysteem, wat niemand op den duur verdragen kanj Het vraagstuk van discipline en gézag, op Walden door de praktijk zoo klemmend aan de orde gesteld, vinden wij weerspiegeld in het vervolg van Johannes' leven. Zijn geleider getrouw volgend, komt Johannes in een vrijgevochten omgeving terecht, waar de edele Markus met democratie en al wordt uitgehoond, zoodra hij voor de waarheid gezag opeischt. De menigte, die niet leeft bij een ideaal en zich

Sluiten