Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veeleer specimina der stoffelijke verschijnselenwereld, binnen wier kring aard en grenzen van het kenvermogen den mensch onontkoombaar zouden bannen.

Als uitgangspunt aanvaardende het naïeve dualistisch getinte realisme, door Heymans omschreven als het standpunt, waarvan bijna iedereen uitgaat, wanneer hij. tracht zich te oriënteeren in vragen van wereld- en levensbeschouwing instellen wij aanvankelijk voorop, dat de mensch, met zijn lichaam, behoort tot een physische wereld, die een wereld is in ruimte en tijd, en waar gelden mechanische, natuurkundige wetten, met zijn geest daarentegen zich bevindt in een wereld van psychische verschijnselen, die alleen waarneembaar zijn voor dengene, in wiens bewustzijn zij zich afspelen. Hoe hebben wij ons den samenhang te denken, die tusschen deze beide werelden bestaat? Het antwoord hierop is van beslissenden invloed op de voorstelling* die men zich vormt van het wezenlijk kenmerk der menschelijke samenleving, die immers als een groep van levende individuen* onderling met elkaar in wisselwerking staande, een althans uiterlijke eenheid vormt, en wier functioneering beheerscht wordt door de motieven, die de handelingen harer leden, individueel en gezamenlijk, bepalen. Aan welke momenten, geestelijke dan wel stoffelijke, moeten wij in onze levens- en wereldbeschouwing zelfstandige, misschien wel uitsluitende beteekenis toekennen, en welke hiermede overeenstemmende maatschappijleer zal de richting bepalen, waarin ons denken op sociologisch terrein zich beweegt?

Uit deze probleemstelling volgt al onmiddellijk, dat de sociologie,, en met haar de afzonderlijke sociale wetenschappen, die zich bezighouden met sociale feiten, zooals deze tot stand komen door de samenwerking van menschen en groepen van menschen, in deeerste plaats wijsgeerige wetenschappen zijn: m. i. volkomen terecht schrijft Slotemaker de Bruine in zijn Sociologie en Christendom: „Wie sociologie zegt, raakt aan de wereldbeschouwing; wiewereldbeschouwing zegt, raakt het sociale leven. Nog meer dan dat. Niet enkel, dat het materieele der sociale vragen altoos enkel met inmenging van een wereldbeschouwing kan worden overwogen. Maar reeds formeel kan over sociale wetenschap niet worden gehandeld en in deze wetenschap niet worden gewerkt, zonder dat

') Einfülirung in die Metaphysik, blz. 29.

Vgl. ook Dr. A. RieM, Inleiding tot de hedendaagsche wijsbegeerte, blz. 142 (vertaald door Dr. M. Kreunen).

15

Sluiten