Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WAARDETHEORIE VAN MARX.

Om zijn doel te bereiken, de analyse van de waar, heeft Marx een arbeidsbegrip noodig, dat kenmerkend is voor zijn geheele opvatting omtrent de verschijnselen, die zich voordoen op het gebied van het maatschappelijke leven. Het is bekend, dat men volgens zijn leer scherp moet onderscheiden tusschen gebruikswaarde en ruilwaarde: de formule die de ruilwaarde uitdrukt, is geheel onafhankelijk van de gebruikswaarde, maar geeft alleen weer de hoeveelheid arbeid, noodig om de waar voort te brengen. Om nu aan te toonen, dat de arbeid de maatstaf der ruilwaarde moet zijn, betoogt bij dat, wanneer men de ruilbetrekking tusschen twee waren uitdrukt, men deze steeds voorstelt door een vergelijking, bijv. 1 mud tarwe = a kilo ijzer: deze vergelijking wil zeggen, dat er iets gemeenschappelijks van denzelfden aard in twee verschillende dingen is, in 1 mud tarwe en a kilo ijzer, want ongelijksoortige grootheden kan men niet vergelijken. Beide zijn derhalve gelijk aan een derde grootheid, welke op zich /elf noch het een noch het ander is. Elk van beide, voor zoover zij ruilwaarde zijn, moet dus tot een derde grootheid te herleiden zijn. „Die ïauschwerte der Waaren sind zu reducieren auf ein geuieinsames, wovon sie ein Mehr oder Minder darstellen", en dit gemeenschappelijke is fte arbeid: Marx' gedachtengang neemt reeds hier een bijzondere wijsgeerige vlucht, waarop ik al dadelijk de aandacht vestig, wanneer bij de gevolgtrekking maakt, dat „de ruilwaarde niet meer zijn kan dan de wijze van uitdrukking, de „verschijningsvorm", van een van haar te onderscheiden inhoud".

Als gebruikslichamen zijn de waren voor alles van verschillende kwaliteit, nl. van verschillende stoffelijke samenstelling, als ruilwaarde kunnen zij slechts van verschillende kwantiteit zijn, nl. van verschillende hoeveelheden arbeid, en bevatten derhalve geen atoom verbruikswaarde.

„Ziet men nu van de gebruikswaarde der warenlichamen af, dan blijft hun nog slechts één eigenschap over, die van arbeidsproducten te zijn. Evenwel is ook het arbeidsproduct reeds in onze hand veranderd. Zien wij af van zijn gebruiksnuttigheid, dan zien wij ook af van zijn stoffelijke bestanddeelen en vormen, die het tot gebruikslichaam maken. Het is niet langer tafel, of huis, of

22

Sluiten