Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Descartes is niets anders dan het empirische, voorgestelde „ik", dat als zoodanig volkomen op dezelfde lijm staat als elke andere bewustzijnsinhoud!: het zie», het hooren, al* „stoffelijk" proces moge een natuurkundige betrekking tusschen natuurkundige dingen zijn — om hier een oogenblik in marxistischen betoogtrant te vervallen —, als bewustzijnsverschijnsel, als geestelijk proces, en hierop komt het juist aan, is het zuiver subjectief. Dietzgen heeft het dualisme van Kant aangevoeld, maar de strékking van zijn leer omtrent de aprioriteit van ruimte en tijd is hem vreemd gebleven: het is niet tot hem doorgedrongen, dat ruimte en tijd vormen van de verschijning der dingen zijn, omdat zij vormen van onze waarneming der dingen zijn; als sociaal-democraat* die zich materialist noemt, en voor wien „alle Hexerei soll aufhören" *•), schrijft hij dat Kant „mit dem bekannten „Ding an sich" auch den Glauben an ein anderes, an ein höheres Erkennen, an einen übermenschlichen Monsterverstand hat bestellen lassen." 2)

De hartstocht voor de materie verleidt hem er toe de objeetieve geldigheid van apriorische denkvormen en hunne verbindingen te beschouwen als een „philosophische Metaphysik" en „religiöso Phantastik", en op dit onjuiste uitgangspunt heeft Dietzgen zün geheele wü'sgeerig systeem opgebouwd.

„Die Wahrheit nicht auf das „Wort Gottes" und nicht auf überkommene „Prinzipien", sondem unsere Prinzipien auf die leibliche Empfindung grimden, das ist die philosophische Pointe der Socialdemokratie."

Ook Engels, die met Marx zich voorgenomen had, „in der Tat mit unserem ehemaligen philosophischen Gewissen abzurechnen," en die voor zich persoonlük, na den dood van Marx, hierop terugkomt in zün studie „Ludwig Feuerbach und der Ausgang der klassischen deutschen Philosophie", blijkt weinig inzicht te hebben in de kritische wijsbegeerte van Kant: de wüze waarop bij met name het „Ding an sich" aan een bespreking onderwerpt, toont duidelü'k aan, dat ook bij de strekking van deze Kantiaansche uitdrukking niet begrepen heeft, haar eenvoudig opvat in den materialistischen zin, waarin zü ook voor Dietzgen gegolden heeft. Trouwens, dit laatste kan ons niet verwonderen, wanneer wü bedenken, dat Engels zich met instemming beroept op Dietzgen's

') Sazaaldemokratisehe PMosophie, Band I, We. 198. *) Bie Grenzen der Erkenntnis, Band I, Ma. 209.

59

Sluiten