Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beteekenis van 's menschen geestelijk leven is in het kader van Dietzgen's monistische materialistische wereldbeschouwing duidelijk: hetzij men ter „verklaring" van het gedachtenleven met Broussais het bewustzijn noemt „un cerveau agissant et rien de plus", dan wel met Vogt de gedachten omschrijft als een „afscheiding" van de hersenen, zooals de gal een afschritlingsprodukt ds van de lever of het speeksel van de speekselklieren,*) of eindelijk met Büchner meent, dat het in elk geval juister is, het bewustzijn met een proces inplaats van met een stof gelijk te stellen, zoodat het bewustzijn eerder met de beweging eener stoommachine bijv. dam met de door haar uitgelaten stoom en damp vergeleken moet worden, dit geestelijk leven heef t slechts een afgeleid bestaan, een bestaan als het ware van ondergeschikt» orde 2): het wordt bepaald door en hangt in zijn inhoud en beteekenis af van den reëelen stoffelijfcen grondslag, waaruit het zich ontwikkelt, en is daardoor tevens in zijn aard en zijn karakter vastgelegd en omschreven. Wanneer het ideëele niets anders is dan het in het menschehjk brein omgezette en overgeplaatste materieele, — en deze marxistische formmleering is in haar algemeenheid ruim genoeg om daarin plaats te bieden aan elk der hierboven vermelde, en waarschijnlijk nog later te vinden, hypothesen —, is het duidelijk, dat alle levensverschijn selen nevenproducten zijn van primaire organische processen. Voor den materialist bestaat «ïechts stof, die op de een of andere* oog nader te verklaren wijze, bewustzijnsverschijnselen tot uiting vermag te brengen, maar van een zelfstandig, uit eigen, innerlijke kracht werkend geestelijk leven, kan evenmin gesproken worden, als van een schaduw zonder projectiebeeld, als van een regenboog zonder lichtbron.

Het causale verklaren, het objectiveeren, ook op het gebied des geestes, zou alzoo het eenige zijn, waartoe de mensch in staat is; de natuur zou de alomvattende werkelijkheid zijn: binnen het raam van de materialistische wereldbeschouwing is „het niet te veel gezegd, dat het bij zeer velen is, alsof de geest — onwillekeurig gedacht als het vergankelijke individueele bewustzijn — maar een wezenloos aanhangsel is. De natuurwetten, die zijn het wezenlijke. Zij z ij n." *)

*) Treuh in zijn „Het wijsgeerig economisch stelsel van Karl Marx" noemt dit als kenmerk van het natuurwetenschappelijk materialisme, I, blz. 13 en 14. *) Zie Heymans, t.a.p. blz. 110. 3) O vink, Het kritisch idealisme, blz. 30.

Omschrijven wij, met Eisler in zijn Geschichte des Monismus, het monisme

62

Sluiten