Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar doel is de wetten op te sporen, waardoor zij beheerscht worden en daarom komen zij voor haar uitsluitend in aanmerking, voor zoover zij een plaats innemen in het psychisch oorzakelijk verband." Volkomen in het kader van deze voorstelling past de opvatting van Dietzgen, dat „der Geist wird zu einer körperlichen Eigenschaft", zoodat het denken is „eine leibliche Arbeit"; ook de omschrijving van Marx van bet zien als „een natuurkundige betrekking tusschen natuurkundige dingen" is in dezen gedachtengang volkomen verklaarbaar: de objectieve juistheid van het stoffelijk verschijnsel is voor hem van constitutieve beteekenis voor de werkelijkheid, en zijn natuurwetenschappelijke verklaring is hem het begin en het einde van alle menschelijke wetenschap. Met een variant op Feuerbach kunnen wij zeggen: „Der Materialismus ist für Dietzgen, Engels und Marx nicht nür die Grundlage des Gebaudes des mensohhchen Wesens und Wissens; er ist für sie das Gebaude selbst." *)

M.Vgl. Engels, Ludwig Feuerbach, blz. 22.

In bert algemeen kan van bet materialisme gezegd worden, dat het, bij het stellen .van de hoofdvraag van zijm systeem, waardoor het zich zijn plaats in de wijsgeerige wetenschap ziet aangewezen, zich aan een z66 groote'inconsequentie schuldig maakt, dat het inderdaad niet tè veel is gezegd, wanneer men beweert, dat izijne aanhangers van voren niet weten, dat izij van achteren leven: immers, het materialisme, waar het de vraag beantwoordt, wat als ware werkelijkheid aanvaard moet worden, wil zich fundamenteel laten gelden op een norm van waardeering, nl. van wat als juist en waar behoort te worden aangenomen, en stelt dus als constitutieve voorwaarde voor zijn plaatsbepaling in de realiteit, het voldoen aan een waardeeringselement, waarvan het nu echter juist de beteekenis in geheel zijn verdere uiteenzetting en ontwikkeling ontkent. Het is als het ware alsof het materialisme begint met zich aan te dienen als de eenige, ware, juiste wetenschap, die voor den denkenden geest ,behoort te gelden, althans aanvaard moet worden", maar die, eenmaal dit standpunt voor izich alleen poneerende en opeischende, binnen het raam van zijn eigen betoog, aan elke geldigheid in den vervolge primaire beteekenis ontzegt, elke waarde wegredeneert, „wegverklaart".

Dietzgen, in den bijzonderen vorm, waarin hij het materialisme introduceert, maakt izich echter aan zóö groote fouten schuldig in zijn algemeen wijsgeerige voorstellingen, dat men zijn gedachtengang moeilijk een systeem kan noemen: wanneer hij schrijft, dat „das Denkvermogen im Kontakt mit den Erscheinungen der Sinnlichkeit prodiuzdert (!) die Wesen der Dinge", heeft Dr. Leo Polak gelijk, die in zijn „Kennisleer contra materie-realisme", hem „een mar noemt, die op Dietzgen's zandhoop bouwt", en wiens denkmethode hij kortweg qualificeert als „een waardeloos samenraapsel van materiaiistisohien en dualistdschen afval" (blz. 315).

64

Sluiten